Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
06/2609 WAZ, 07/5915 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Herhaald bij nader besluit. Arbeidskundige grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2609 WAZ, 07/5915 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2006, 05/4482 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk werkzaam als zelfstandig loodgieter gedurende 40 uur per week. Op 7 juni 2003 werd hij arbeidsongeschikt als gevolg van een hartinfarct. Op 30 november 2004 is hij onderzocht door de verzekeringsarts. Deze stelde vast dat appellant naast hartklachten ook diabetes mellitus, een begin van staar, hypercholesterolaemie en klachten van de scheenbenen had en een TIA had gehad waarvan hij goed hersteld was. Op grond van het lichamelijk en psychisch onderzoek en dossierstudie achtte de verzekeringsarts appellant beperkt in zijn functioneren voor werk met verhoogd persoonlijk risico en voor enkele dynamische handelingen. Deze beperkingen werden omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 december 2004. De arbeidsdeskundige achtte appellant gelet op zijn beperkingen niet meer in staat zijn eigen vroegere werk te verrichten. Appellant werd wel in staat geacht met gangbare functies een verdienvermogen te realiseren dat niet lager was dan zijn maatmaninkomen.

Daarop heeft het Uwv besloten appellant bij het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken per 4 juni 2004 geen uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen. In de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts het dossier bestudeerd, appellant onderzocht en inlichtingen opgevraagd bij de huisarts en de cardioloog van appellant. Op basis van het onderzoek en verkregen inlichtingen van huisarts en cardioloog heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML aangepast in verband met de licht verminderde nekfunctie, de diabetes in combinatie met het hartinfarct, de artrose aan de handen, op psychisch vlak en ten aanzien van overwerk. Aan de hand van de bijgestelde FML en van de in juni 2004 geldende arbeidskundige criteria heeft de bezwaararbeidsdeskundige uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) vijf functies geselecteerd die appellant met inachtneming van zijn beperkingen nog zou kunnen verrichten. Vergelijking van het daarmee te verdienen loon met het maatmaninkomen leverde een verlies aan verdiencapaciteit van 10,17% op. Bij besluit van 10 mei 2005 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 gegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat er gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (met name) de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 4 juni 2005 [lees: 2004]. De rechtbank stelde voorts naar aanleiding van het beroep, met de bezwaarverzekeringsarts, vast dat uit de overgelegde medische informatie niet valt af te leiden dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de artrose aan de handen. De mededelingen van appellant over het medisch oordeel van een inmiddels door hem geraadpleegde specialist achtte de rechtbank te weinig geobjectiveerd om te kunnen doen twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank zag geen grond het verzoek van appellant om een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen in te willigen. De rechtbank achtte appellant dan ook in staat op de datum in geding arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 stelde de rechtbank vast dat één van de geselecteerde functies, namelijk sbc-code 315150, niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Nu het schrappen van deze functie gevolgen heeft voor de berekening van de restverdiencapaciteit, is de arbeidskundige grondslag van besluit 1 naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard en besluit 1 vernietigd, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep heeft appellant een nieuw besluit op bezwaar van het Uwv van 13 april 2006 overgelegd, waarbij het bezwaar van appellant na aanvullend onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige opnieuw ongegrond is verklaard. Appellant heeft de Raad verzocht het hoger beroep mede gericht te achten tegen dit besluit (hierna: besluit 2).

Nu besluit 2 niet geheel tegemoetkomt aan het beroep van appellant, zal de Raad op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen besluit 1 mede gericht achten tegen besluit 2.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen, nu de behandelend specialist uitdrukkelijk te kennen had gegeven dat de beperkingen aan de handen een operatie noodzakelijk maakten, maar dat hij over de beperkingen alleen maar aan een medicus wilde rapporteren. Voorts waren de aan besluit 2 ten grondslag gelegde functies volgens appellant niet voor hem geschikt te achten. Als gevolg van het overlijden van zijn vrouw en de daaropvolgende hartinfarcten is appellant emotioneel ontregeld geraakt. In de bijgestelde FML is wel rekening gehouden met de psychische klachten in de rubriek persoonlijk functioneren, maar deze manifesteren zich ook in het sociaal functioneren, met name op het gebied van omgaan met conflicten. Om die reden is de functie van receptionist telefonist volgens appellant niet geschikt. Voorts zijn de functies bandster en schoonmaker dusdanig belastend voor de handen dat appellant deze niet geschikt vindt. Bij brief van 3 december 2007 heeft appellant de Raad bericht dat hij getracht had een deskundige te vinden die omtrent de beperkingen aan zijn vingers wilde rapporteren, maar appellant kon de kosten niet betalen, terwijl een verzoek om bijzondere bijstand daarvoor was afgewezen. De rechtbank had daarin uit een oogpunt van ongelijkheidscompensatie aanleiding moeten vinden een deskundige te benoemen. Voorts stelt hij dat hij als gevolg van psychische klachten de geduide functies niet kan verrichten. Tot slot wijst appellant erop dat de bezwaarverzekeringsarts in de FML algemene opmerkingen heeft vermeld die niet als beperking in de FML zijn opgenomen, doch slechts als toelichting. Hij wijst in dit verband op de jurisprudentie van de Raad over verborgen beperkingen.

De Raad stelt vast dat besluit 2 op dezelfde medische grondslag berust als besluit 1. Appellant heeft met betrekking tot besluit 2 geen nieuwe medische argumenten of gegevens met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op de datum hier in geding, 4 juni 2004, ingebracht. Gelet op de beschikbare stukken komt de Raad tot het oordeel dat een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht en dat er geen grond is voor twijfel aan de beoordeling van de verzekeringsartsen die heeft geleid tot de bijgestelde FML van 16 maart 2005. De Raad kan zich in zoverre verenigen met de overwegingen van de rechtbank, zoals hierboven weergegeven. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat hij op de datum in geding zodanig ernstige, door het Uwv miskende klachten aan de handen had, dat een onderzoek door een onafhankelijk deskundige aangewezen zou zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gestelde psychische klachten.

Aan besluit 2 ligt een nader onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag waarvan een rapport, gedateerd 11 april 2006, is opgemaakt. Daaruit blijkt dat het CBBS opnieuw is geraadpleegd per de datum hier in geding. Rekening houdend met de FML van 16 maart 2005 zijn drie functies geselecteerd, namelijk receptionist, baliemedewerker (sbc-code 315150), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334). In de sbc-code 315150 zijn voldoende functies bijgeduid zonder wisseldiensten, zodat deze sbc-code uiteindelijk niet vervalt. Gelet op de in het rapport gegeven motivering van de functieduiding acht de Raad het voldoende aannemelijk dat de in de functies voorkomende belasting in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is daarmee voldoende inzichtelijk en toetsbaar gemaakt.

De Raad overweegt dat, nu de rechtbank besluit 1 heeft vernietigd, appellant geen belang meer heeft bij een uitspraak van de Raad over de uitspraak van de rechtbank over besluit 1. De Raad zal daarom het hoger beroep tegen die uitspraak niet-ontvankelijk verklaren.

Uit het vorenstaande volgt voorts dat de Raad het beroep tegen besluit 2 ongegrond zal verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 13 april 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL