Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
06-1683 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. De schatting berust op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1683 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 januari 2006, 04/3034 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn bij aanvullend beroepschrift aangevoerd door mr. S.J.L.M. van den Reek, advocaat te Helmond.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 mei 2007 heeft het Uwv een aanvullende rapportage ingebracht van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 april 2007. Appellant heeft bij brief van 7 januari 2008 nog nadere medische informatie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.C.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die na zijn werkzaamheden als medewerker gemeentereiniging een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontving, heeft zich met ingang van 13 februari 2003 ziek gemeld met psychische klachten, concentratie- en slaapstoornissen en verslavingsproblematiek. Hij heeft gedurende de maximale uitkeringstermijn een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangen. Het Uwv heeft bij besluit van 17 mei 2004 geweigerd appellant bij einde wachttijd met ingang van 12 februari 2004 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij, hoewel ongeschikt tot het verrichten van de laatst uitgeoefende arbeid, wel in staat wordt geacht om met gangbare arbeid zodanige inkomsten te verwerven dat van enig verlies aan verdiencapaciteit geen sprake is.

Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij, in afwachting van behandeling door een psychiater, in verband met zijn depressieve klachten wordt behandeld door zijn huisarts en niet tot het verrichten van arbeid in staat is. Bij besluit van 9 september 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat de juiste medische beperkingen zijn aangenomen en dat de belasting in de geduide functies binnen de voor appellant geldende belastbaarheid blijft.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat hevige stemmingswisselingen en een onvermogen zich te concentreren hem ongeschikt doen zijn tot het verrichten van arbeid. Hij heeft zich daarbij beroepen op een brief van psycholoog C.M. van Putten van 2 december 2004, die als voorlopige diagnose een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft gesteld.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv het bestreden besluit eerst in beroep heeft voorzien van een voldoende te achten toelichting en motivering van zowel de medische als de arbeidskundige grondslag. Wat betreft de medische grondslag heeft de rechtbank vastgesteld dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet alle uit de persoonlijkheidsstoornis van appellant voortvloeiende beperkingen weergeeft, omdat daarin de door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 31 oktober 2005 genoemde beperkingen met betrekking tot leidinggeven en klantencontacten ontbreken. De rechtbank heeft overigens in de beschikbare medische informatie geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat voor aandachts- en/of concentratiestoornissen bij appellant geen aanwijzingen zijn. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is aangepast met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 november 2005, waarbij aan de schatting nieuwe functies ten grondslag zijn gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank moet appellant in staat worden geacht met de bij hem vastgestelde beperkingen deze functies te vervullen en blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant nihil.

In hoger beroep heeft appellant de eerder naar voren gebrachte grieven gehandhaafd. Hij heeft betoogd dat de geduide functies voor hem niet passend zijn, omdat hij niet in staat is de vereiste interne trainingen of opleidingen te volgen, en voorts dat het Uwv onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat overschrijdingen in de functiebelastingen aan de verrichting van die functies door appellant niet in de weg staan. Daaraan heeft appellant onder verwijzing naar een brief van psychiater J.A.M. de Kroon van 20 december 2007 nog toegevoegd dat hij zodanig ernstige beperkingen ondervindt in het sociaal en beroepsmatig functioneren dat hij in het geheel niet in staat is om in dienstverband te werken.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat uit de brief van psycholoog Van Putten geen verdergaande beperkingen van appellant kunnen worden afgeleid dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen. De informatie van psychiater De Kroon, bij wie appellant eerst in maart 2006, derhalve meer dan twee jaar na de datum in geding, in behandeling is gekomen, leidt evenmin tot het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts indertijd de beperkingen van appellant heeft onderschat. Door De Kroon is dezelfde diagnose gesteld als eerder door Van Putten: een persoonlijkheidsproblematiek waarvan ook de (bezwaar)verzekeringsarts bij de vaststelling van de beperkingen al was uitgegaan. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat De Kroon in zijn brief een ongewijzigde psychische toestand van appellant vanaf de aanvang van psychiatrische behandeling tot uitdrukking brengt, dan geldt nog dat uit zijn beschrijving niet valt af te leiden dat van een onvermogen van appellant om in een gezagsrelatie te presteren al sprake was op de datum in geding. Uit de door De Kroon verstrekte informatie kan niet de conclusie worden getrokken dat bij appellant bij einde wachttijd beperkingen bestonden die het volgen van een kortdurende eenvoudige bedrijfstraining zouden verhinderen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de in beroep gegeven aanvulling de schatting op een voldoende medische grondslag berust.

De Raad stelt voorts vast dat de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp met de in hoger beroep ingebrachte rapportage van 23 april 2007 uitvoerig en in lijn met de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (onder andere LJN AY 9971) de door het aangepaste claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) bij de selectie van functies aangebrachte signaleringen nader heeft toegelicht. Met deze toelichting is voldoende aannemelijk gemaakt dat in de functies die in beroep met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters van 1 november 2005 aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, geen sprake is van enige overschrijding van de vastgestelde belastbaarheid van appellant. Dat betekent dat naar het oordeel van de Raad ook de arbeidskundige kant van de schatting alsnog voldoende onderbouwd is.

De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op goede gronden in stand heeft gelaten. Het hoger beroep van appellant slaagt aldus niet. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

RJB