Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
05-4255 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4255 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 mei 2005, 04/1405 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.B.P. Arets, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B. Keybeck, kantoorgenoot van mr. Arets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Vervolgens heeft het Uwv een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven de nadere zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die als mede-eigenaresse een groentewinkel exploiteerde, heeft zich per 23 september 1998 gedeeltelijk arbeidsongeschikt gemeld in verband met psychische klachten. De verzekeringsarts van het Uwv die appellante op

11 oktober 2000 heeft onderzocht, is tot de conclusie gekomen dat sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 22 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 20 oktober 2003 is de arts tot de conclusie gekomen dat een duidelijke verbetering in de gezondheidstoestand van appellante is opgetreden en dat zij in staat is duurzaam arbeid te verrichten op de vrije arbeidsmarkt, zij het met inachtneming van een aantal beperkingen. Deze beperkingen zijn weergegeven in de rubrieken 1 (sociaal functioneren), 2 (persoonlijk functioneren) en 6 (werktijden) van de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige is vervolgens na raadpleging van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) tot de conclusie gekomen dat appellante in staat is een aantal functies te vervullen, waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 30,94%. Bij besluit van 11 november 2003 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellante met ingang van 7 januari 2004 herzien en vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Appellante heeft in bezwaar tegen het besluit van 11 november 2003 aangevoerd dat de fysieke en psychische klachten haar functioneren dermate belemmeren dat zij niet of nauwelijks in staat is een functie op de arbeidsmarkt te vervullen. Desgevraagd heeft de huisarts van appellante de bezwaarverzekeringsarts informatie verstrekt over de gezondheidstoestand van appellante en daarbij tevens brieven van neuroloog A.A.J.G.M. Schyns-Soeterboek en reumatoloog E.L.J. Heuft-Dorenbosch ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts is mede op basis van de ontvangen informatie tot de conclusie gekomen dat geen aanleiding bestaat om de FML te wijzigen. Na heroverweging van de arbeidskundige grondslag van het besluit van 11 november 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geselecteerde functie van bezorger, een voornamelijk solitaire functie, laten vervallen. De overige functies, waaronder de drie functies met de hoogste loonwaarde, productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en inpakker (SBC-code 111190), zijn wel in overeenstemming met de belastbaarheid van appellante geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 35,01%. Bij besluit van

5 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

11 november 2003 in zoverre gegrond verklaard dat de WAZ-uitkering per 7 januari 2004 wordt herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit akkoord bevonden. Aangezien het Uwv pas in beroep een toelichting heeft gegeven omtrent de geselecteerde functies en niet (uiterlijk) bij het besluit op bezwaar heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand gelaten alsmede beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in de FML ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen in verband met haar lichamelijke klachten, te weten artrose, rugklachten en een stijf gevoel in de benen. In dat verband heeft appellante een beroep gedaan op de bevindingen van reumatoloog Heuft-Dorenbosch, die tot de conclusie is gekomen dat een vastgestelde discopathie laag-lumbaal appellantes rugklachten voldoende verklaart en dat de vermoeidheidsklachten kunnen worden veroorzaakt door de chronische pijnklachten dan wel door de diagnose depressie, die in het verleden is gesteld. Voorts is appellante van mening dat de geselecteerde functies niet in overeenstemming zijn met de beperkingen die in de rubrieken 1 (sociaal functioneren) en 2 (persoonlijk functioneren) van de FML zijn opgenomen. Deze functies zijn volgens appellante niet geschikt omdat daarin in groepsverband wordt gewerkt, het oplossen van problemen kan voorkomen, met storingen moet worden omgegaan en deadlines moeten worden gehaald.

De Raad overweegt het volgende.

Reumatoloog Heuft-Dorenbosch heeft op 8 april 2004 gerapporteerd dat zij bij aanvullend onderzoek van appellante aanwijzingen heeft gevonden voor een beginnende artrose in de lumbale wervelkolom en enthesiopathische tekenen aan beide trochanters. Naar aanleiding van de vraagstelling van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts P. Tjen beoordeeld of de bevindingen van de reumatoloog aanleiding geven voor wijziging van de FML die voor appellante is opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat deze bevindingen gelet op de leeftijd van appellante bijna als normaal zijn te beschouwen en dat de pijnklachten ook niet op de voorgrond staan, maar dat alleen in de winter gedurende een week acute rugpijn kan optreden. Voorts heeft deze arts erop gewezen dat op strikt reumatologisch gebied er geen afwijkingen zijn gevonden. De bezwaarverzekeringsarts kon zich geheel verenigen met het standpunt, zoals verwoord in het ingediende verweerschrift, dat de rugklachten niet van dien aard zijn dat appellante niet aan de normaalwaarden, zoals die in het CBBS worden gehanteerd, kan voldoen. De Raad heeft geen aanleiding gevonden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Daarbij merkt de Raad op dat uit de formulieren resultaat eindselectie kan worden afgeleid dat de drie hiervoor genoemde functies geen zware fysieke arbeid betreffen.

Bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot is blijkens haar rapport van 14 oktober 2004 tot de conclusie gekomen dat de geselecteerde functies, behoudens die van bezorger, de belastbaarheid van appellante niet te boven gaan. Het zijn productiefuncties waarbij een minimale persoonlijke invulling vereist is met voornamelijk routinematige en dus voorspelbare werkzaamheden, die worden verricht onder directe leiding van de chef/meewerkend voorman dan wel in de directe omgeving van collega’s op wie kan worden teruggevallen. In deze functies komt conflicthantering niet voor en zijn deadlines en/of productiepieken niet aan de orde. In die functies is tevens sprake van een eigen, afgebakende taak. Tijdens de procedure in eerste aanleg is toegelicht dat in deze functies ook wordt voldaan aan het niet-matchend punt “werken zonder afleiding”, omdat sprake is van een afgebakende taak waarbij iedere medewerker een zelfstandige inbreng heeft in het eindproduct, waardoor de medewerker zich volledig kan concentreren op de eigen taak en niet wordt afgeleid door de bijbehorende activiteiten. De Raad is van oordeel dat in voldoende mate is toegelicht dat de hiervoor genoemde drie functies in overeenstemming zijn met de beperkte belastbaarheid van appellante in verband met haar psychische gesteldheid.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

JL