Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
05-253 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies. Oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/253 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 3 december 2004, 02/794 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J.R.M. Braakenburg, advocaat te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben prof. dr. H.J. Stam, revalidatie-arts te Rotterdam en prof. dr. E. Hoencamp, psychiater te ‘s-Gravenhage, onder dagtekening van respectievelijk 22 mei 2007 en oktober 2007 als deskundigen van verslag en advies gediend.

Partijen hebben nog nader gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Braakenburg voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

In dit geding staat centraal het antwoord op de vraag of appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 4 maart 1999 alsmede met ingang van 3 oktober 2001 terecht is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de WAO, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 4 maart 1999 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. In dit besluit is tevens meegedeeld dat dit percentage eveneens geldt per 3 oktober 2001, zijnde de datum van het spreekuur van de adviserend verzekeringsarts.

Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op beide evenvermelde in geding zijnde data, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen -waaronder een urenbeperking van 24 uur per week- geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 65 tot 80% op beide data in geding.

Tegen voornoemd besluit heeft appellante een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 6 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de revalidatiearts H.J.R. Buijs als deskundige benoemd en verzocht te rapporteren omtrent appellantes gezondheidstoestand. Dit heeft geresulteerd in een verslag van 30 december 2003. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de deskundige Buijs getrokken conclusies voor onjuist te houden en heeft op grond van dit rapport alsmede op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde arbeidskundige rapportages, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat ten onrechte een arbeidsduurbeperking van 24 uur per week is vastgesteld. Appellante geeft aan dat tijdens de keuring op 2 oktober 1999 (lees: 1 oktober 1999), de verzekeringsarts met appellante zou hebben afgesproken dat ten aanzien van de belastbaarheid van appellante er een arbeidsduur van maximaal 20 uur per week zou gelden. In strijd met deze afspraak is vervolgens -ten onrechte- een arbeidsduurbeperking van 24 uur per week gehanteerd.

Voorts is aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de beperkingen genoemd door appellante zelf en zoals vastgesteld door deskundige Buijs, voornoemd, waarmee duidelijk was geworden dat de geduide functies niet geschikt waren voor appellante niet zijn ingebracht in het FIS-systeem. Namens appellante is aangevoerd dat in het dossier veel medisch objectieve gegevens aanwezig zijn die ten onrechte niet bij de beoordeling zijn meegewogen.

Ten aanzien van de grief van appellante dat in verband met de gestelde toezegging door de verzekeringsarts ten onrechte is uitgegaan van een arbeidsurenbeperking van 24 uur per week, in plaats van 20 uur per week, overweegt de Raad dat appellante deze stelling niet nader aan de hand van concrete gegevens heeft onderbouwd zodat deze grief niet kan slagen.

De Raad heeft in de namens appellante overgelegde gegevens, mede gezien de overige gedingstukken, voldoende aanleiding gezien om appellante te doen onderzoeken door revalidatie-arts prof. dr. H.J. Stam. Revalidatie-arts Stam heeft appellante op 16 mei 2007 uitgebreid onderzocht en kennis genomen van de op dat moment reeds in het dossier aanwezige (medische) gegevens. In zijn rapport van 22 mei 2007 heeft Stam aangegeven dat appellante sinds de vroege jeugd een groot scala aan klachten heeft, onder meer bestaande uit chronische vermoeidheid, ernstige pijnklachten van diverse orgaansystemen en depressiviteit. Vervolgens concludeert deze deskundige dat appellante voldoet aan de criteria voor een somatisatiestoornis. In de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid d.d. 3 oktober 2001 kan Stam zich vinden. Voorts heeft deze deskundige onder verwijzing naar de verzekeringskundige rapportage d.d. 3 oktober 2001 aangegeven dat hij zich kan verenigen met een arbeidsduurbeperking van 24 uur per week. Hij acht appellante in staat tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, zowel op 4 maart 1999 als ook op 3 oktober 2001. Wel heeft Stam geadviseerd om een aanvullend psychiatrisch onderzoek te laten verrichten in verband met de discrepantie tussen het grote aantal klachten dat appellante over de jaren heen heeft gepresenteerd en de feitelijke afwijkingen die bij onderzoek zijn vastgesteld door hemzelf maar ook door collega’s van andere disciplines.

De Raad heeft in het rapport van de revalidatie-arts Stam aanleiding gezien om psychiater prof. dr. E. Hoencamp te vragen om als deskundige eveneens van verslag en advies te dienen. Uit het rapport van Hoencamp van oktober 2007 blijkt dat appellante ten tijde van het onderzoek op 8 augustus 2007 een geagiteerd toestandsbeeld met a-typische kenmerken vertoonde. Voorts speelt de ernstige ziekte van haar man alsmede haar eigen persoonlijkheid, die omschreven wordt als perfectionistisch, hoog streefniveau en verantwoordelijkheidsgevoel, een belangrijke rol. Hoencamp geeft voorts aan dat ten tijde van de data in geding appellante dezelfde karakterologische eigenschappen vertoonde maar met een veel geringer aantal depressieve klachten dan ten tijde van het onderzoek. Hij kan zich vervolgens verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid waarbij hij tevens heeft aangegeven dat een arbeidsurenbeperking tot 24 uur per week (4 dagen gedurende 6 uur per dag) reëel is.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

De conclusies van beide deskundigen berusten op een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek en zijn draagkrachtig en overwegend gemotiveerd.

Aldus is de Raad van oordeel dat de voor appellante op 4 maart 1999 alsmede op 3 oktober 2001 geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen door de (bezwaar)verzekeringsarts, juist zijn vastgesteld.

Daarvan uitgaande is de Raad evenmin gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies gedurende 24 uur per week zowel op de datum van 4 maart 1999 als op 3 oktober 2001, niet zou kunnen verrichten.

Dit betekent dat de vraag geformuleerd onder rubriek II bevestigend moet worden beantwoord.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ