Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
07-1011 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering terugbetaling verstrekte lening in verband met beëindiging eigen bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 145

Uitspraak

07/1011 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 september 2006, 05/2559 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E.A. Muurmans, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Muurmans. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft het College, voor zover hier van belang, aan appellant bijstand verleend op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) in de vorm van een geldlening tot een bedrag van ƒ 60.000,-- (€ 27.226,81) ten behoeve van een door hem op te zetten horecaonderneming. In voornoemd besluit is met inachtneming van artikel 39, tweede lid en onder b, van het Bbz, evenals in de door appellant ondertekende schuldbekentenis, onder andere bepaald dat het bedrag van de lening terstond opeisbaar is op het moment dat het bedrijf van appellant wordt overgenomen of beëindigd.

Het bedrijf van appellant is op 8 december 2004 beëindigd. Vervolgens heeft het College bij besluit van 18 april 2005 de vordering tot terugbetaling van de in 2000 verstrekte lening, vermeerderd met de hierover verschuldigde rente, vastgesteld op een bedrag van € 32.612,33. Bij dat besluit is voorts bepaald dat appellant dit bedrag dient terug te betalen.

Het tegen het besluit van 18 april 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 juli 2005 ongegrond verklaard. Ter aanvulling op de motivering heeft het College artikel 43, eerste lid, van het Bbz 2004 aan de terugvordering ten grondslag gelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft aan haar beslissing tot ongegrondverklaring van het beroep de volgende overwegingen gelegd, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het College, moet worden gelezen.

“ (...) In artikel 43, eerste lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 is bepaald - voorzover hier van belang - dat bij beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep de lening (ter voorziening in de behoefte in bedrijfskapitaal) volledig wordt terugbetaald. Artikel 23, eerste lid, van het Bbz bevatte dezelfde bepaling.

De rechtbank stelt vast dat, nu eisers bedrijf is beëindigd, verweerder terecht met toepassing van artikel 43, eerste lid, van het Bbz 2004 terugbetaling van meergenoemde lening heeft verlangd. De zojuist genoemde wettelijke bepaling maakt geen onderscheid al naar gelang de oorzaak van de bedrijfsbeëindiging. Het gegeven dat dit laatste plaatsvond door de intrekking van eisers horecavergunning kan dan ook niet worden betrokken bij (de beoordeling van) het bestreden besluit. Evenmin kan worden gezegd dat verweerder, door naast het intrekken van eisers horecavergunning tevens terugbetaling te eisen van de verstrekte lening, zou hebben gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Overigens kan de rechtmatigheid van die intrekking in het onderhavige geding niet aan de orde komen.

Eisers gemachtigde heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 is bepaald (en eveneens, zo voegt de rechtbank daar aan toe, in artikel 19, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bbz) dat in de beschikking tot toekenning van de bijstand wordt opgenomen dat het bedrag van de lening terstond opeisbaar is op het moment dat de zelfstandige het bedrijf (overdraagt of) beëindigt. Genoemde gemachtigde heeft er daarbij op gewezen dat eiser zijn bedrijf niet “heeft” beëindigd, maar dat zijn bedrijf door de intrekking van de vergunning “is” beëindigd. Ten aanzien van dit punt overweegt de rechtbank dat onder “beëindigt” in zojuist genoemd artikelonderdeel tevens dient te worden verstaan “noodgedwongen beëindigt”. Bovendien gaat het te ver om aan een overeenkomstig genoemd artikelonderdeel geredigeerde toekenningsbeschikking de consequentie te verbinden dat volledige terugbetaling van de lening ex artikel 43, eerste lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 slechts zou kunnen worden verlangd in een geval waarin de bedrijfsbeëindiging geheel uit vrije wil van de zelfstandige plaatsvindt. Overigens spreekt de onderhavige toekenningsbeschikking d.d. 8 augustus 2000 over opeisbaarheid op het moment dat het bedrijf “wordt beëindigd”(...).”

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hieraan voegt de Raad nog toe dat, in tegenstelling tot hetgeen appellant heeft aangevoerd, het College op grond van artikel 43, eerste lid, eerste volzin, van het Bbz 2004 gehouden is tot terugvordering over te gaan. Van enige beleidsvrijheid op dit punt is dan ook geen sprake.

Gelet op het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. Zijmers.

IJ