Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
07-429 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5744, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering buiten behandeling gelaten. Niet binnen de gestelde termijn overleggen van de gevraagde gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/429 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2006, 05/8834 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Yildiz, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Voor appellant is verschenen mr. A. Jankie, kantoorgenoot van mr. Yildiz. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kuipers, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 31 mei 2005 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van 27 juli 2005 waarbij het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gelaten. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet binnen de in de brief van 8 juli 2005 genoemde termijn de - reeds bij brief van 1 juli 2005 - gevraagde gegevens heeft overgelegd.

Het tegen het besluit van 27 juli 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 november 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft aan haar beslissing tot ongegrondverklaring van het beroep de volgende overwegingen gelegd, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het College moet worden gelezen.

“(…) Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Awb, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder opgevraagde gegevens en bescheiden noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de bijstandsaanvraag van eiser. De opgevraagde gegevens betreffen immers de financiële situatie van eiser. Hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd treft dan ook geen doel.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn aanvraag aan te vullen.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser na de brief van 1 juli 2005 een plastic zak met gegevens heeft ingeleverd en dat deze door de bijstandsconsulent naar eiser is teruggestuurd vóór de tweede brief van 8 juli 2005.

De rechtbank overweegt dat op eiser de plicht rust, als degene die bijstand aanvraagt, om verweerder op zo’n manier gegevens te overhandigen dat op redelijk eenvoudige wijze inzicht kan worden verkregen in zijn inkomens-en vermogenspositie. Eiser was ten tijde van de eerdere aanvragen eigenaar van een viertal woningen in Den Haag en bij onderhavige aanvraag heeft hij opgegeven twee woningen in eigendom te hebben. Voorts heeft eiser bij de aanvraag aangegeven dat een drietal bank-/girorekeningen, twee hypotheken en een schuld op zijn naam staan. Bij een dergelijke veelheid en variatie in vermogensbestanddelen met bijbehorende mutaties mag verweerder bepalen, en kan van eiser worden verwacht, dat de gegevens overzichtelijk geordend bij verweerder worden ingeleverd. Verweerder was daarom bevoegd de plastic tas met ongeordende administratie aan eiser terug te sturen zonder van de inhoud kennis te nemen. Hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd treft dan ook geen doel.

Eiser is bij brief van 8 juli 2005 een redelijke termijn van twee weken geboden om de gevraagde gegevens alsnog op geordende en inzichtelijke wijze in te leveren. Eiser heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken.

(…)

Verweerder heeft daarom in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag gebruik kunnen maken. In hetgeen eiser verder nog heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond dat verweerder het gebruik van die bevoegdheid in het geval van eiser achterwege heeft moeten laten. (…)”

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hieraan voegt de Raad nog het volgende toe.

Uit de gedingstukken is af te leiden dat voorafgaande aan de verzending van de brief van 8 juli 2005 telefonisch contact is opgenomen met appellant (en zijn dochter) waarbij een toelichting is gegeven op de retourzending van de plastic tas. Dit is bij brief van 8 juli 2005 nog eens schriftelijk uiteengezet. Desondanks heeft appellant de hem geboden termijn van twee weken waarbinnen de gevraagde gegevens geordenend ingeleverd moesten worden ongebruikt laten verstrijken.

Tot slot wijst de Raad er nog op dat het College op grond van artikel 53a, eerste lid, van de WWB bevoegd is om de wijze van het verstrekken van gegevens te bepalen. De Raad is niet gebleken dat het College niet in redelijkheid van appellant heeft kunnen verlangen de gevraagde gegevens geordend aan te leveren.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. Van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. Zijmers.

IJ