Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
05-910 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid medische grondslag en vastgestelde belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/910 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]n (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/1745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007, waar namens appellante haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Door de Raad desverzocht heeft A.H.C. Geerlings, neuroloog te Capelle aan den IJssel, bij rapport van 19 november 2007, van verslag en advies gediend. Namens appellante heeft mr. De Jonge, voornoemd, bij brieven van 11 januari en 15 januari 2008 op het deskundigenrapport gereageerd.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 25 januari 2008, waar namens appellante haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

In geding is het besluit van 2 juni 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 december 2003, waarbij het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 februari 2004 heeft ingetrokken.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat haar lichamelijke klachten zijn onderschat. Voorts zijn de onderzoeksbevindingen van de door de Raad ingeschakelde deskundige Geerlings aangevochten. Ter ondersteuning hiervan is verwezen naar de eerder in de procedure overgelegde informatie uit de behandelende sector, alsook naar de rapporten van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans (Psychosofia), waaronder het recente commentaar van mevrouw Verhage van 9 januari 2008.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de deskundige, de neuroloog Geerlings, die zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante en haar in staat achtte op 11 februari 2004 de door de arbeidsdeskundige voor haar geduide functies te vervullen. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. De Raad is van oordeel dat er in het thans aanhangige geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de conclusies van Geerlings op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek berusten en overtuigend, aan de hand van relevante medische onderzoeken, zijn gemotiveerd. Voor wat betreft de namens appellante ingebrachte rapporten van Psychosofia verwijst de Raad naar zijn bij partijen bekende vaste jurisprudentie ter zake van gegevens afkomstig van dit instituut. Hierin ligt besloten dat bedoelde rapporten niet kunnen dienen om een uitzondering aan te nemen op evenvermelde hoofdregel inzake het belang dat toekomt aan een door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige. Aldus is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is.

De Raad, heeft uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

JL