Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
06-4692 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging bijstand met 5% op de grond dat betrokkene niet op tijd is teruggekeerd van haar vakantie en dat zij haar rechtmatigheidsformulier niet tijdig heeft ingeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 100

Uitspraak

06/4692 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2006, 05/5445 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2008. Voor appellante is verschenen mr. Van Zundert. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt al enige tijd bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft het College op 27 november 2004 verzocht om toestemming voor vakantie in Suriname - met behoud van uitkering - voor de periode van 1 februari 2005 tot 1 mei 2005. Bij besluit van 17 januari 2005 heeft het College toestemming verleend voor zover het betreft de maand februari 2005. Het verzoek is voor het overige afgewezen. Daarbij heeft het College appellante meegedeeld dat de bijstand wordt doorbetaald tot en met 28 februari 2005, dat haar recht op bijstand per 1 maart 2005 is opgeschort en dat zij haar rechtmatigheidsformulier uiterlijk op 1 maart 2005 moet inleveren.

Appellante is op 8 februari 2005 naar Suriname vertrokken en op 1 april 2005 teruggekeerd in Nederland. Bij besluit van 20 april 2005 heeft het College de uitkering van appellante per 2 april 2005 hersteld en voortgezet. Daarbij is de bijstand over de periode van 2 april 2005 tot 2 mei 2005 met 5% verlaagd op de grond dat appellante niet op tijd is teruggekeerd van haar vakantie en dat zij haar rechtmatigheidsformulier niet tijdig heeft ingeleverd.

Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College het tegen het besluit van 20 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 28 september 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt de volgende beoordeling.

Vooraf

In dit geding moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het besluit van het College van 17 januari 2005. De Raad verwijst in dit verband wat betreft de bij dat besluit verleende toestemming voor vakantie naar zijn - tussen partijen gegeven - uitspraak van 5 december 2006, LJN AZ4074. De in dat besluit tevens vervatte opschorting van de bijstand met ingang van 1 maart 2005 moet worden gezien als een (vooraf aangekondigde) blokkering van de betaling van de bijstand.

Het herstel van de bijstand

De bijstand van appellante over de maand februari 2005 is aan haar betaald, aangezien zij voor die maand toestemming had van het College om - met behoud van uitkering - op vakantie naar het buitenland te gaan. Over de periode van 1 maart 2005 tot en met 1 april 2005 is de bijstand niet uitbetaald. Gelet op hetgeen hiervoor onder het kopje ”Vooraf” is overwogen, en mede gelet op de toelichting van de kant van het College ter zitting van de Raad, merkt de Raad het besluit van 20 april 2005 tot herstel van de uitkering met ingang van 2 april 2005 aan als opheffing van de blokkering.

Appellante stelt zich op het standpunt dat het College bij zijn besluitvorming had moeten betrekken dat appellante pas op 8 februari 2005 naar Suriname was vertrokken, en vervolgens hetzij de opschorting achteraf alsnog op 8 maart 2005 had moeten laten ingaan, hetzij de uitbetaling van de uitkering een week voor 2 april 2005 had moeten herstellen. De Raad volgt appellante hierin niet. Zoals hiervoor al is overwogen, staat het besluit van 17 januari 2005 - waarin de opschorting per 1 maart 2005 is vastgelegd - niet ter discussie. In dit verband heeft het College er niet ten onrechte op gewezen dat appellante had kunnen vragen om wijziging van de periode waarvoor zij toestemming tot verblijf in het buitenland had en dat een dergelijk verzoek niet is gedaan. Verder is de Raad evenals het College van oordeel dat er pas aanleiding was de blokkering op te heffen na de terugkeer van appellante in Nederland. Bij het voorgaande tekent de Raad nog aan dat het in dit geding niet gaat om een beoordeling van intrekking en (vervolgens weer) toekenning van het recht op bijstand, nu besluiten daartoe in dit geding niet voorliggen.

Het hoger beroep treft in zoverre geen doel.

De maatregel

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam (hierna: verordening).

Vaststaat dat appellante niet tijdig is teruggekeerd van haar vakantie in Suriname en dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting om haar rechtmatigheidsformulier over de maand februari 2005 uiterlijk op 1 maart 2005 bij de sociale dienst in te leveren. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat deze gedraging appellante in het geheel niet zou kunnen worden verweten. Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 18, tweed lid, van de WWB gehouden was de bijstand te verlagen.

Aangezien de betaling van de bijstand per 1 maart 2005 was geblokkeerd, heeft deze gedraging niet tot gevolg gehad dat aan appellante ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Op een dergelijke situatie ziet artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening. Hierbij hoort volgens artikel 6 van deze verordening een maatregel van de eerste categorie. De door het College opgelegde maatregel is daarmee in overeenstemming.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College voldoende gemotiveerd waarom in dit geval niet met een waarschuwing als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de verordening kon worden volstaan. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd ook geen dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening. Van de kant van appellante is er in dit verband nog op gewezen dat zij bij besluit van het College van 22 januari 2007 tot 15 januari 2009 om medische redenen is ontheven van enkele arbeidsverplichtingen en dat aan haar toestemming is verleend voor verblijf in het buitenland voor de periode van 16 januari 2007 tot en met 16 april 2007. In de periode die voor dit geding van belang is, was echter sprake van een andere situatie. Appellante was niet (volledig) ontheven van de arbeidsverplichtingen, en voor haar gold een trajectplan dat was vastgesteld voor de periode van 29 november 2004 tot 30 april 2006 en was gericht op het vergroten van haar kansen op de arbeidsmarkt. Naar het oordeel van de Raad komt aan de actuele situatie dan ook onvoldoende betekenis toe voor dit geding.

De Raad komt tot de conclusie dat ook de maatregel stand kan houden.

Slotoverwegingen

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

AR