Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
05-442 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende? Nadere medische expertise noodzakelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/442 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2004, 02/5571 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.H.M. van Laarhoven, werkzaam bij Rechtshulp Zuid-Oost Nederland, beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als reactie op het namens appellant ingediende aanvullende beroepschrift is een rapportage ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige A.M. Beckers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

Aan de uitspraak van de rechtbank, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als gedaagde, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser was werkzaam als orderverzamelaar bij [werkgever] gedurende 38 uur per week tot hij op 18 april 2001 uitviel als gevolg van diverse klachten aan het bewegingsapparaat alsook exacerbatie van zijn astma en chronische otitis. In verband hiermee heeft eiser verweerder verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Verweerder is na medisch en arbeidskundig onderzoek tot het oordeel gekomen dat de mate van de arbeidsongeschiktheid van eiser met ingang van 17 april 2002 is te stellen op minder dan 15%. Verweerder heeft dit bij primair besluit van 5 juni 2002 aan eiser meegedeeld. Bij het bestreden besluit van 8 november 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dat primair besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zijn besluit gegrond op de overweging dat eiser met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht passende arbeid te verrichten.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Eiser vraagt zich met name af hoe het verschil tussen het oordeel van de verzekeringsarts en de bedrijfsarts met betrekking tot het aantal kilogram dat eiser zou kunnen tillen, kan worden verklaard. Eiser stelt tevens dat zijn behandelend arts, dr. D. Berghmans tot de conclusie komt dat eiser bepaalde letsels heeft die hem ook in de toekomst zullen blijven hinderen.

Voorts stelt eiser dat de bestreden beslissing, waarbij is afgestapt van het Functie Informatie Systeem (FIS), niet naar behoren is gemotiveerd. Bij overschrijdingen van de belasting moet overleg plaatsvinden tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts en kan niet volstaan worden met de standaard motivering dat overleg heeft plaatsgevonden. Ook zijn door de arbeidsdeskundige bij alle geduide functies met betrekking tot het item buigen vragen aan de verzekeringsarts gesteld. Deze vragen zijn door de verzekeringsarts niet gemotiveerd beantwoord. Eiser voert tevens aan dat de functies Vleeswarenmaken/slachter (SBC-code 271070) en Machinebediende voedingsmiddelenbedrijf (SBC-code 271091) niet, of althans niet zonder nadere motivering, kunnen worden geduid gezien eisers beperkingen. Ook de functie kassamedewerker kan niet worden geduid op grond van artikel 2, onderdelen f en g van het Schattingsbesluit, indien op grond van wisselende diensten een toeslag voor wisselende diensten wordt betaald. Verweerder dient volgens eiser aan te tonen dat er geen toeslag betaald wordt.”

De rechtbank heeft daarop als volgt overwogen:

“De rechtbank vindt in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiser op

13 maart 2002 door de verzekeringsarts is onderzocht en dat eiser informatie van zijn behandelend artsen heeft overlegd. De verzekeringsarts heeft voorts informatie ingewonnen bij de behandelende sector. De verzekeringsarts heeft eiser beperkt geacht ten aanzien van het werken in een koude omgeving, beschermende middelen, allergie voor boompollen, kat en hond, frequent buigen, zitten tijdens werk, staan tijdens werk en het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens werk.

De bezwaarverzekeringsarts heeft, aan de hand van de door eiser naar voren gebrachte medische bezwaren, de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts was aanwezig bij de hoorzitting op

17 September 2002. Hij heeft geen informatie ingewonnen bij de behandelende sector en heeft verder volstaan met dossieronderzoek, omdat hierin voldoende medische gegevens voorhanden waren. Naar aanleiding van zijn onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) aanvulling behoeft. Hij heeft eiser ook nog beperkt geacht op blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen.

Uit deze onderzoeken zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor eiser geldende beperkingen te kunnen komen.

Eiser heeft in beroep een brief van een Belgische arts, dr. D. Berghmans van 3 december 2002 overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aan de brief van dr. Berghmans, waarin hij stelt dat eiser letsels heeft die hem ook in de toekomst zullen hinderen en als gevolg waarvan hij theoretisch in aanmerking komt voor blijvende invaliditeit, niet het gewicht kan worden toegekend dat eiser kennelijk voorstaat. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat dr. Berghmans hier een andere maatstaf met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid hanteert dan in het kader van de WAO gehanteerd dient te worden. Uit deze brief blijkt voorts niet van meer beperkingen op de in geding zijnde datum dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is vastgesteld. Eiser heeft in beroep verder geen medische stukken ingebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts terecht de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische beperkingen van eiser op en na 17 april 2002 door verweerder niet onjuist zijn vastgesteld.

Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling

Eiser heeft bestreden dat hij in staat moet worden geacht tot het verrichten van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies en voorts dat het onderzoek naar behoren gemotiveerd is. Verweerder heeft met de nadere rapportage van de bezwaararbeids-deskundige van 12 februari 2003 en de aanvulling hierop van 10 maart 2003 de overschrijdingen met betrekking tot het item buigen toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende aannemelijk is geworden dat deze overschrijdingen toegestaan zijn. Tevens heeft verweerder uiteengezet waarom de functies "vleeswarenmaker/slachter" en "machinebediende voedingsmiddelenbedrijf" toch geduid kunnen worden. De door eiser aangevoerde grieven treffen geen doel nu verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij deze functies zich geen overschrijdingen van eisers belastbaarheid voordoen. Verweerder heeft met betrekking tot de functie "kassamedewerker" ook voldoende aannemelijk gemaakt dat deze functie aan eiser geduid kan worden, nu verweerder aangetoond heeft dat er geen toeslag betaald wordt voor wisselende diensten. Eisers grief met betrekking tot deze functie treft dan ook geen doel.

Verweerder heeft, verwijzend naar de nadere rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige van 3 augustus 2004, een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven. In de nadere rapportage worden alle signaleringen per functie besproken. Verweerder is ook nagegaan of de geduide functies aan het actualiseringscriterium voldoen. Verweerder komt tot de conclusie dat de functie "machinebediende voedingsmiddelenbedrijf” toch niet geduid kan worden, omdat deze functie ruim na einde wachttijd eerst actueel is geworden. In de plaats daarvan is de functie "inpakker" geduid. De overige geduide functies worden na bespreking door verweerder nog steeds als passend beschouwd. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft onveranderd vastgesteld op minder dan 15 %.

(....)

Nu verweerder het besluit in beroep alsnog heeft voorzien van de ontbrekende toelichting en onderbouwing, mede gelet op het hiervoor overwogene met betrekking tot het CBBS, moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in stand kunnen worden gelaten.”

In hoger beroep zijn namens appellant in essentie de in bezwaar en beroep aangevoerde medische en arbeidskundige bezwaren tegen het bestreden besluit herhaald. Daaraan is toegevoegd dat de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek wordt bestreden. Opgemerkt wordt dat door de verzekeringarts in diens rapportage van 19 maart 2002 is aangegeven dat hij, teneinde tot een zorgvuldig oordeel te komen, recente informatie bij de behandelend orthopeed Huys zal opvragen. Op 22 maart 2002 gaat de desbetreffende brief de deur uit, maar een antwoord van Huys bevindt zich niet onder de processtukken, zodat niet beoordeeld kan worden welke inlichtingen Huys heeft verstrekt, aldus de gemachtigde.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat hij appellant niet kan volgen in zijn stelling dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad acht hierbij van belang dat, blijkens de gedingstukken, de verzekeringsarts M.A.L. Piegza de beschikking heeft gehad over een grote hoeveelheid medische informatie uit de behandelende sector over appellant. In de rapportage van 19 maart 2002 merkt Piegza daarover op dat uit de overgelegde specialisten-brieven blijkt dat er sprake is van pathologie, zodat hiermee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellant. Tevens merkt Piegza op dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen de meest recente informatie van de behandelend orthopeed Huys zal worden opgevraagd. Indien de bestudering hiervan daartoe aanleiding geeft zal de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) worden aangepast. Onder de gedingstukken bevindt zich verder een rapportage van Huys gedateerd 20 maart 2002 naar aanleiding van een onderzoek van appellant op 12 maart 2002. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A van Kasteren-van Delden van 17 september 2002 blijkt dat deze kennis heeft genomen van deze rapportage van Huys en daarin geen aanleiding heeft gevonden de FML bij te stellen.

De Raad concludeert dat in elk geval bij de definitieve vaststelling van de FML in bezwaar de meest recente orthopedische informatie is betrokken, zodat van onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek in zoverre niet is gebleken.

Ten aanzien van de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich in hoofdzaak vinden in het oordeel van de rechtbank daaromtrent, welk oordeel de Raad tot het zijne maakt. De Raad merkt daarbij nog op dat het beroep van appellant op de verklaring van de arts Berghmans geen doel treft, nu deze geen uitspraken doet over de daadwerkelijke mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, maar opmerkt dat een grondiger medische expertise hieromtrent uitsluitsel zal moeten brengen. In het licht van de aanwezige medische gegevens ziet de Raad geen grond voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv dat een dergelijke expertise niet nodig is.

De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

RB