Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
06-2065 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Rechtbank ten onrechte rechtsgevolgen in stand gelaten, uit proces-verbaal blijkt geen afdoende toelichting t.a.v niet-matchende punten. Afdoende motivering eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2065 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 februari 2006, 05/1073 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Appellant is, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 2 september 1998 als gevolg van problemen op het werk en in de privé-sfeer met een burn-out uitgevallen. Met ingang van 1 september 1999 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 4 oktober 2004 is deze uitkering met ingang van 2 december 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% omdat appellante in staat werd geacht, ondanks haar arbeidsbeperkingen, met voor haar geschikte functies een zodanig inkomen te verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van hetgeen zij verdiende voor zij arbeidsongeschikt werd, 69,53% bedraagt.

Bij besluit van 26 mei 2005, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 oktober 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Voorts heeft zij bepalingen gegeven omtrent griffierecht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Zij stelde wel vast dat het bestreden besluit ten tijde van het nemen daarvan niet was voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, onder meer met

LJN-nummer AR4719. De rechtbank heeft overwogen dat eerst ter zitting namens het Uwv een adequate motivering voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit met betrekking tot de niet-matchende punten is gegeven, op grond waarvan voldoende aannemelijk is geworden dat ook op die punten de geduide functies voor appellante niet te zwaar zijn te achten.

Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, aangezien eerst ter zitting van de rechtbank namens het Uwv een toelichting op de zogeheten niet-matchende punten zou zijn gegeven. Appellante heeft aangegeven dat zij, omdat zij zich een dergelijke toelichting ter zitting van de rechtbank niet kon herinneren, de rechtbank heeft verzocht om toezending van deze arbeidskundige onderbouwing ter zitting. Deze onderbouwing heeft de rechtbank niet verstrekt.

Hetgeen door appellante als beroepsgrond is aangevoerd, dient naar het oordeel van de Raad te slagen. Ook de Raad heeft in de processtukken, met name in het proces-verbaal van de zitting d.d. 17 januari 2006, geen aanknopingspunten gevonden dat ter zitting van de rechtbank een (nadere) arbeidskundige onderbouwing is gegeven met betrekking tot de niet-matchende punten. Uit dit proces-verbaal valt slechts op te maken dat namens het Uwv is geconstateerd dat er arbeidskundig non-matchpunten zijn en dat in verband daarmee een eerder in de procedure verzonden brief van de rechtbank gericht aan het Uwv, terecht was. Vervolgens is het onderzoek ter zitting gesloten.

Gelet op hetgeen is aangevoerd en gelet op het vorenstaande moet ook de Raad, met appellante, constateren dat een nadere toelichting inzake de niet-matchende punten ter zitting van de rechtbank ontbreekt. Aldus heeft de rechtbank, naar het oordeel van de Raad, ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb, door de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

In verband met de vernietiging van het bestreden besluit waren er tevens termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De Raad zal met toepassing van voornoemde artikelen, het Uwv veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 322,-- wegens de kosten van verleende rechtsbijstand.

In zoverre slaagt het hoger beroep.

In hetgeen overigens door partijen in hoger beroep is aangevoerd, constateert de Raad dat louter de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt aangevochten. In zoverre staat ook voor de Raad de medische grondslag van het besluit vast.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft het Uwv, in reactie op grieven van appellante in hoger beroep, bij brief van 12 mei 2006 de Raad een nadere rapportage d.d. 11 mei 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige

M.J.W.M. Willemse, doen toekomen. In deze rapportage wordt door hem ingegaan op de geschiktheid van de geduide functies, met name ten aanzien van een zestal

niet-matchende punten. Voorts is door hem onderzocht of de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante vallen. Daarbij heeft Willemse een nadere deugdelijke motivering gegeven op de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van de geduide functies. De Raad acht deze nadere motivering toereikend.

Nu de passendheid van de functies eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht en gemotiveerd bestaat er, naar het oordeel van de Raad, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb thans aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, alsnog geheel in stand te laten.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante in bezwaar tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht vergoedt van € 105,--.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.