Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
06-2661 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medische en arbeidskundige grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2661 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2006, 05/3964

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M.H. Dircks, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Beide partijen hebben nadien nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2008. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als technisch medewerker gedurende 36 uur per week in een zogeheten Melkertbaan. Op 3 november 2003 heeft hij, na een eerdere verzuimperiode, dit werk moeten staken wegens rugklachten.

Bij besluit van 20 april 2005 heeft het Uwv, in lijn met de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, geweigerd om appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 25 oktober 2004, in aanmerking te brengen voor de door hem aangevraagde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat hij met gangbare functies nog een zodanig inkomen kan verwerven dat hij in vergelijking met het maatgevende inkomen geen voor de toepassing van de WAO relevant verlies aan verdiencapaciteit lijdt.

Naar aanleiding van het door appellant gemaakte bezwaar tegen voornoemd besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts een medische heroverweging verricht. Deze arts heeft aangegeven dat de verslaglegging van de primaire verzekeringsarts een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek laat zien. Voorts heeft hij aangegeven dat hij de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen kan onderschrijven. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn er geen medische argumenten om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) te wijzigen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, eveneens in het kader van de heroverweging, in een rapport van 18 juli 2005 de motivering van de door de arbeidsdeskundige geduide functies nader aangevuld.

Bij besluit van 27 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 20 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de medische rapportages blijkt dat appellant overeenkomstig de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium is onderzocht, dat gelet op de in het dossier aanwezige gegevens - waaronder de medische informatie ter zake van de slijtage aan gewrichten en wervels - niet kan worden gezegd dat de verzekeringsartsen de gezondheidsklachten van appellant onvoldoende hebben onderkend, dat met deze klachten in de FML rekening is gehouden, dat niet is gebleken dat de FML op onjuiste dan wel onvolledige wijze appellants medische beperkingen op de datum in geding weerspiegelt en dat appellant geen nadere medische gegevens heeft overgelegd op grond waarvan het Uwv tot een andersluidend oordeel had moeten komen. Van een schending van artikel 3 van het Schattingsbesluit is de rechtbank evenmin gebleken.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige voldoende inzicht in en voldoende mogelijkheid tot toetsing van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen van de onderhavige schatting bieden. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting heeft gegeven op de geschiktheid van de geduide functies, dat is aangegeven dat de geduide functies voldoende actueel zijn en dat uiteen is gezet op welke wijze de enquêtedatum is vermeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige op deze punten en heeft geoordeeld dat de aan de voorgehouden functies verbonden belasting de mogelijkheden van appellant om te functioneren niet overschrijdt. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet vermag in te zien in welk opzicht het berekende maatmanloon en de bij de functie van kassamedewerker amusementssector toegepaste reductiefactor onjuist zouden zijn, nu appellant deze grieven op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is betoogd, vormt in grote lijnen een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte grieven. Met name is benadrukt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geschied, dat de beperkingen van appellant zijn onderschat en dat hij als gevolg van zijn klachten niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting als voor hem passende arbeidsmogelijkheden gebruikte functies. Namens appellant is gesteld dat de in hoger beroep overgelegde gegevens dit standpunt ondersteunen en dat uit de gegevens van de bedrijfsarts tevens blijkt dat hij slechts met toepassing van een medische urenbeperking belastbaar is voor arbeid.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat de grieven van appellant inzake de medische grondslag van het bestreden besluit geen doel treffen. De Raad acht de op dit punt door de rechtbank gegeven overwegingen juist en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan toe dat appellant ook in hoger beroep niet erin geslaagd is zijn eigen opvatting inzake de voor hem op de datum in geding geldende fysieke beperkingen aan de hand van objectief-medische gegevens te onderbouwen. De in hoger beroep namens appellant nader ingebrachte stukken afkomstig van de caesartherapeut, de radioloog en de huisarts bevatten geen nieuwe medische gegevens ten opzichte van de eerder vastgelegde onderzoeksbevindingen. Met deze onderzoeksbevindingen heeft de primaire verzekeringsarts rekening gehouden bij de vaststelling van de belastbaarheid. De medische gegevens afkomstig van de bedrijfsarts bevatten geen voor de datum in geding relevante informatie omtrent de beperkingen van appellant. De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Dat geldt ook voor het niet aannemen van een noodzaak tot een urenbeperking, zodat het daarop gerichte betoog van appellant in hoger beroep faalt.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige, alvorens het bestreden besluit werd genomen, bij rapport van 18 juli 2005 de arbeidskundige grondslag van de schatting uitvoerig heeft toegelicht en mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellant in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies naar behoren heeft gemotiveerd. In beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij rapportage van 31 oktober 2005 en in hoger beroep bij rapportage van 30 augustus 2006 het standpunt met betrekking tot deze functies nogmaals toegelicht. De toelichting van 30 augustus 2006 vormt in essentie een herhaling van hetgeen in het rapport van 18 juli 2005 is vermeld. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit afdoende is voorzien van een deugdelijke toelichting en motivering.

Voor het geval appellant ook de eerder aangevoerde grieven met betrekking tot het maatmanloon en de reductiefactor nog in hoger beroep heeft gehandhaafd, volstaat de Raad met een verwijzing naar de op dit punt in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen, waarmee de Raad zich kan verenigen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, als voorzitter en J. Riphagen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.