Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
07-2143 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Premie-differentiatie. Bezwaar niet-ontvankelijk? Bezwaar aanmerken als herzieningsverzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2143 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 maart 2007, 06/168 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante hebben mr. H.J.S.M. Nuijten en mr. A.F.S. Rasink, belastingadviseurs bij Mazars Paardekooper Hoffman N.V. te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008. Voor appellante is verschenen mr. Rasink, voornoemd. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluiten van 21 januari 2004 en 10 december 2004 heeft het Uwv de door appellante verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 (oud) van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vastgesteld voor onderscheidenlijk de jaren 2004 en 2005.

Bij brief van 15 september 2005 met als onderwerp “bezwaarschrift vaststelling premiepercentage gedifferentieerde WAO” heeft appellante het Uwv erop gewezen dat bij de hiervoor vermelde besluiten uit is gegaan van een foutief gemiddeld premieplichtig loon.

Het Uwv heeft van zijn kant appellante er bij brief van 19 oktober 2005 op gewezen dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Bij deze brief heeft het Uwv appellante verzocht hem te laten weten waarom het bezwaar te laat is ingediend.

Bij brief van 31 oktober 2005 heeft appellante het Uwv laten weten dat de in haar ogen onjuiste vaststelling onlangs is geconstateerd bij een interne controle. Nu het hier voorts een complexe materie betreft en zij veronderstelden dat het Uwv zijn besluiten op goede gronden had genomen, heeft appellante bij haar brief het standpunt ingenomen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Het Uwv heeft appellante hierin niet gevolgd. Bij besluit van 22 december 2005 heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar verzoek om herziening heeft aangemerkt als een bezwaarschrift en aldus voorbijgegaan is aan zijn wettelijke plicht op grond van artikel 11, vierde lid, van de toenmalige Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) om de premie vast te stellen op het juiste verschuldigde bedrag. In haar visie dient het algemene toetsingskader van de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht te wijken voor de bijzondere regeling in de CSV.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 22 december 2005 ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, heeft zij het volgende overwogen:

”6. Punt van geschil is of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres bij de overschrijding van de bezwaartermijnen in verzuim is geweest.

7. Boven de brief van 15 september 2005 van eiseres, gericht aan verweerder, waarin melding wordt gemaakt van fouten bij de vaststelling van het gedifferentieerde WAO-premiepercentage staat vermeld het woord "bezwaarschrift". Verweerder heeft bij brief van 4 oktober (lees: 19 oktober 2005) gevraagd naar de reden van de overschrijding van de bezwaartermijnen. Die vraag heeft eiseres beantwoord op 31 oktober 2005. Gezien de redactie van beide brieven is er geen aanleiding te veronderstellen dat eiseres een verzoek om herziening heeft ingediend. Verweerder is er terecht vanuit gegaan dat eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de eerder genoemde primaire besluiten.

8. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. De rechtbank vermag niet in te zien dat de berekening van het gedifferentieerde WAO-premiepercentage dermate ingewikkeld is dat (de accountant van) eiseres niet in staat zou zijn deze te controleren. In het bezwaarschrift wordt immers aangegeven dat een interne controle een foutieve vaststelling van premiepercentage aan het licht heeft gebracht. Voorts is het mogelijk binnen de bezwaartermijn een voorlopig bezwaarschrift in te dienen en daarbij uitstel te vragen voor het indienen van, de gronden, zodat - indien de zes weken van de bezwaartermijn ontoereikend zijn voor een controle van de berekening van het premiepercentage - ook na ommekomst van die zes weken nog gelegenheid is om het bezwaar nader te motiveren.

9. De stelling van eiseres dat de algemene bepalingen van de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb dienen te wijken voor de bijzondere bepalingen van de CSV is onjuist. De rechtbank kan zich verenigen met de opvatting van verweerder dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geen zelfstandige betekenis toekomt aan artikel 11, vierde lid, en artikel 13, derde lid, van de CSV.”

In hoger beroep heeft appellante herhaald hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd en daaraan toegevoegd dat het oordeel van de rechtbank in strijd moet worden geacht met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, nu ervan mag worden uitgegaan dat een bestuursorgaan in beginsel deugdelijke besluiten neemt.

De Raad volgt appellante hierin niet. Naar het oordeel van de Raad had appellante na ontvangst van de besluiten waartegen zij pas op 15 september 2005 een bezwaarschrift heeft ingediend, kunnen controleren of deze besluiten juist zijn en had zij bij twijfel om nadere informatie kunnen vragen, dan wel zekerheidshalve een bezwaarschrift kunnen indienen op, zoals de rechtbank heeft overwogen, nader aan te voeren gronden. De Raad tekent hierbij aan dat hij zich onthoudt van een oordeel over de juistheid van de stelling van appellante dat bij deze besluiten is uit gegaan van een verkeerde loonsom.

Nu de Raad zich ook overigens kan vinden in het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen en in de door de rechtbank gebezigde overwegingen, volgt uit het vorenstaande dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel

en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid

van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.