Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
06-5369 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand niet vast te stellen vanwege onduidelijkheid over feitelijke woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5369 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van

17 augustus 2006, 06/1729, 06/1730 en 06/1763 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 maart 2008

1. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. Quaedvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is sinds 24 oktober 2002 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 14 februari 2006 is de bijstand met ingang van 1 december 2005 ingetrokken op de grond dat betrokkene meer uren heeft gewerkt dan hij aan appellant heeft opgegeven en dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 27 maart 2006 is het tegen dit besluit ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen het besluit van

27 maart 2006 ingestelde beroep is ingetrokken zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Betrokkene heeft op 16 februari 2006 opnieuw bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Op 22 februari 2006 is een huisbezoek aan de woning van betrokkene afgelegd en zijn hem vragen gesteld omtrent de daarbij aangetroffen volledig ingerichte babykamer en diverse kledingstukken en toiletartikelen van zijn vriendin.

Appellant heeft deze aanvraag bij besluit van 25 april 2006 met toepassing van artikel

4:6 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2006 ongegrond verklaard. Hierbij is - zakelijk weergegeven - onder meer overwogen dat betrokkene geen melding heeft gemaakt van het verblijf van zijn vriendin in zijn woning, dat betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn stelling dat zijn vriendin enkel in het weekeinde bij hem heeft verbleven, aannemelijk te maken, dat betrokkene daarin niet is geslaagd en dat daarom niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter overwogen dat betrokkene eerst dan bij appellant melding dient te maken van het verblijf van zijn vriendin in zijn woning indien beiden daar hun hoofdverblijf zouden hebben en sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat op appellant de last rust te bewijzen dat betrokkene en zijn vriendin een gezamenlijke huishouding voeren. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op basis van de bevindingen van het huisbezoek van 22 februari 2006 niet is komen vast te staan dat betrokkene en zijn vriendin een gezamenlijke huishouding voeren en derhalve evenmin dat betrokkene de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Gelet op die overwegingen heeft de voorzieningenrechter - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de voorzieningenrechter beslissingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2006 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd. Hij heeft onder andere aangevoerd dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat zijn vriendin alleen het weekeinde bij hem verbleef. Aangezien betrokkene onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over het verblijf van zijn vriendin in zijn woning kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 16 februari 2006 tot en met 25 april 2006.

De Raad verstaat het besluit van 2 augustus 2006 aldus dat appellant aan de (handhaving van de) afwijzing van de aanvraag om bijstand van 16 februari 2006 ten grondslag heeft gelegd dat betrokkene in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid,

(tekst tot 1 januari 2008) van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn woon- en leefsituatie en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Uit de bevindingen van het op 22 februari 2006 verrichte huisbezoek blijkt dat in de woning van betrokkene een volledig ingerichte babykamer en diverse kledingstukken en toiletbenodigdheden van zijn vriendin zijn aangetroffen. Betrokkene heeft daarbij verklaard dat zijn vriendin en haar zoon in het weekeinde en tijdens vakanties bij hem verblijven. Op 11 april 2006 heeft betrokkene verklaard dat hij de vader is van het kind van zijn vriendin, dat zijn vriendin en hun zoon elk weekeinde bij hem verblijven, dat zij vrijdagmiddag met de auto komen en zondag of maandag weer vertrekken. Appellant heeft betrokkene vervolgens bij brief van 13 juli 2006 in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat zijn vriendin alleen in het weekeinde bij hem verblijft en daarbij aangegeven op welke wijze dat zou kunnen gebeuren. Betrokkene heeft vervolgens bij brief van 2 augustus 2006 geantwoord dat zijn vriendin al drie maanden niet meer bereid en in staat is naar hem toe te komen, dat zij voorheen met de trein reisde en zij de treinkaartjes niet heeft bewaard.

De Raad is van oordeel dat, gelet op de bevindingen van het huisbezoek en de door betrokkene afgelegde verklaringen, onduidelijkheid bestond over de woon- en leefsituatie van betrokkene. Het lag op de weg van betrokkene om duidelijkheid te verschaffen over de duur van het verblijf van zijn vriendin in zijn woning teneinde appellant in staat te stellen zijn aanvraag om bijstand te beoordelen. Appellant heeft hem daartoe in de gelegenheid gesteld. Van die gelegenheid heeft betrokkene geen gebruik gemaakt. Dat betekent dat betrokkene de ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De door betrokkene gestelde omstandigheid dat de relatie met zijn vriendin inmiddels zodanig was bekoeld dat hij de gevraagde gegevens niet kon verstrekken komt naar het oordeel van de Raad voor rekening en risico van betrokkene. Aangezien als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van betrokkene gedurende de hier te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, is de Raad, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat appellant bij het besluit van 2 augustus 2006 de afwijzing van de aanvraag om bijstand terecht heeft gehandhaafd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren. Hieruit vloeit tevens voort dat het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2006 beroep ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op

4 maart 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

ar220208