Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
05-7140 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toegenomen klachten; geen sprake van dezelfde ziekteoorzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/7140 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 november 2005, 04/1114 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008.

Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 7 januari 1993 met linkerschouderklachten uitgevallen voor zijn werk als opperman. In verband daarmee is aan hem een WAO-uitkering toegekend, per einde wachttijd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, doch na verloop van enige tijd naar een mate van 15-25%.

Bij brief van 16 december 2003 heeft (mr. Van den Berg namens) appellant melding gemaakt van toegenomen arbeidsongeschiktheid in verband met rechterschouderklachten (sinds februari 2003, naar later is komen vast te staan), zulks onder verwijzing naar de daarbij gevoegde brief van de appellant behandelende orthopaedisch chirurg M.A. Hoelen van 13 augustus 2003 aan appellants huisarts.

Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 28 april 2004 tot weigering om appellant in te delen in een hogere klasse dan 15-25%, onder overweging dat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebleken dat appellants arbeidsongeschiktheid weliswaar is toegenomen, maar uit een andere oorzaak dan ter zake waarvan aan appellant een WAO-uitkering is toegekend; die toename is ontstaan in een onverzekerde periode en kan dus niet leiden tot herziening.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard, van oordeel dat appellants rechterschouderklachten niet kennelijk zijn voortgekomen uit dezelfde oorzaak. Daarbij heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de in de aangevallen uitspraak deels geciteerde brieven van Hoelen van 13 augustus 2003,

24 mei 2005 en 12 juli 2005. In de als laatste vermelde brief is Hoelen gekomen tot de conclusie dat er geen sprake lijkt te zijn van dezelfde ziekteoorzaak.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat Hoelen niet heeft uitgesloten en derhalve niet is komen vast te staan dat zijn rechterschouderklachten niet dezelfde oorzaak hebben, immers, Hoelen heeft in zijn brief van 12 jui 2005 geconcludeerd dat er geen sprake lijkt te zijn van dezelfde ziekteoorzaak.

De Raad deelt dat standpunt niet en overweegt daartoe het volgende.

Het thans aanhangige geschil is volledig toegespitst op de brief van Hoelen van

12 juli 2005 en de daarin voorkomende, door appellant in hoger beroep aangehaalde passage.

Uit de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak aangehaalde brieven van Hoelen van 13 augustus 2003, 24 mei 2005 en 12 juli 2005 komt onmiskenbaar naar voren dat hij van mening is dat de rechter- en linkerschouderklachten niet voortkomen uit een en dezelfde ziekteoorzaak. Het gaat de Raad te ver om uit het feit dat Hoelen zich in zijn laatstvermelde brief heeft bediend van “lijkt” af te leiden dat hij twijfelt en nog ruimte laat voor een andere opvatting. Het is in medische kringen niet ongebruikelijk om zich op die niet al te stellige wijze uit te drukken. De strekking van die brieven tezamen is helder: er is geen sprake van dezelfde ziekteoorzaak.

Gelet op het vorenstaande slaagt appellants beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en

I.M.J. Hilhorst - Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Lochs.

MK