Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
05-5010 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Besluit berust op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5010 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 juli 2005, 05/118

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.C.M. van Dijk, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 mei 2007 heeft het Uwv een nadere rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, gedateerd 20 mei 2007, aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft psychiater J.D.J. Tilanus benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft een schriftelijk verslag van zijn onderzoek, gedateerd

30 oktober 2007, aan de Raad uitgebracht.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op

18 januari 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

In geding is het besluit van 7 december 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2004, waarbij het Uwv aan appellante na afloop van de wettelijke wachttijd met ingang van

9 juli 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep houdt appellante staande dat zij op grond van haar psychische klachten meer beperkt was tot het verrichten van werkzaamheden dan het Uwv heeft aangenomen. Daarbij heeft zij opnieuw een beroep gedaan op de door haar in de bezwaarfase bij het Uwv ingebrachte brief van haar behandelend psychiater I. Libbrecht van 15 september 2004. Appellante heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, anders dan de behandeld psychiater, de verzekeringsgeneeskundige van het Uwv niet valt aan te merken als een onafhankelijke deskundige en dat de rechtbank haar oordeel derhalve niet uitsluitend heeft mogen baseren op de conclusie van de verzekeringsartsen van het Uwv.

De Raad overweegt als volgt. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. In lijn met deze hoofdregel kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door de Raad geraadpleegde deskundige, psychiater Tilanus. Deze deskundige heeft op de aan hem gestelde vraag welke ziekte of gebrek appellante had op de in dit geding van belang zijnde datum 9 juli 2004 geantwoord dat geen afwijkingen werden vastgesteld op het vakgebied van de psychiatrie. Hij heeft voorts aangegeven dat beperkingen in het persoonlijk functioneren destijds niet berustten op het bestaan van een psychiatrische ziekte. De deskundige kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante en achtte haar in staat op 9 juli 2004 de door de arbeidsdeskundige voor haar geselecteerde functies te vervullen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van evenvermelde hoofdregel af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze deskundige een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld en zijn conclusies op overtuigende wijze en aan de hand van relevante medische inzichten heeft onderbouwd. Die conclusies heeft hij naast eigen onderzoek ook gebaseerd op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, waaronder eerdergenoemde brief van de behandelend psychiater Libbrecht.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust, en dat derhalve de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, als voorzitter en J. Riphagen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ