Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
06-6902 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat betrokkene geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6902 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 25 oktober 2006, 06/997 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 6 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008. Partijen zijn - met bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij de uitbetaling daarvan werd uitgegaan van een fictief inkomen, waarna op basis van het feitelijk genoten inkomen periodiek een herberekening plaatsvond.

Op 8 juli 2004 heeft de Svb appellant schriftelijk verzocht de salarisspecificaties over de maanden januari tot en met juli 2004 over te leggen. Dit verzoek heeft de Svb in de periode augustus tot en met september 2004 driemaal herhaald. Deze correspondentie is door de Svb driemaal als onbesteld retour ontvangen. Bij besluit van 27 september 2004 heeft de Svb de betaling van de nabestaandenuitkering van appellant met ingang van oktober 2004 geschorst. Ook dit besluit is door de Svb als onbesteld retour ontvangen.

In de maand oktober 2004 heeft de Svb drie e-mail berichten van appellant ontvangen waarin hij informeert naar de uitbetaling van zijn nabestaandenuitkering.

Naar aanleiding van een door appellant bij de Nationale Ombudsman ingediende klacht over het optreden van de Svb, heeft de Svb appellant bij brief van 7 oktober 2005 medegedeeld dat het onderzoek naar het recht van appellant op een nabestaandenuitkering voortvarend zal worden opgepakt in verband waarmee nadere informatie nodig is over de woon- en leefsituatie van appellant.

In het vervolgens door appellant ingevulde formulier ‘gezamenlijk huishouden’ - waarbij appellant heeft opgegeven dat hij tijdelijk 2 tot 3 dagen per week bij [M.] verblijft - heeft de Svb aanleiding gezien de buitendienst opdracht te geven de feitelijke woonsituatie van appellant vast te stellen. In dat kader is een huisbezoek aan het woonadres van [M.] gepland op 17 november 2005.

Bij brief van 14 november 2005 heeft appellant de Svb medegedeeld dat hij met ingang van de maand oktober 2004 afziet van een ANW-uitkering, zodat het huisbezoek op 17 november 2005 geen doorgang behoeft te vinden.

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft de Svb het recht van appellant op een nabestaandenuitkering over de periode juli 2004 met september 2004 opnieuw vastgesteld. Omdat appellant over deze periode geen inkomsten heeft gehad komt hij in aanmerking komt voor een nabetaling van netto € 1.231,38.

Bij onderscheiden besluit van dezelfde datum heeft de Svb het recht van appellant op een nabestaandenuitkering met ingang van 30 september 2004 beëindigd vanwege het feit dat appellant de Svb bij brief van 14 november 2005 heeft medegedeeld dat hij met ingang van oktober 2004 afziet van het recht op nabestaandenuitkering.

Naar aanleiding van de besluiten van 13 februari 2006 heeft appellant de Svb bij brief van 16 februari 2006 medegedeeld dat hij terugkomt van zijn eerdere besluit om af te zien van het recht op ANW met ingang van oktober 2004.

Bij brief van 4 maart 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn nabestaandenuitkering.

Bij besluit van 16 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 februari 2006 kennelijk ongegrond verklaard.

Bij brief van 16 maart 2006 heeft de Svb appellant medegedeeld dat om het recht op een nabestaandenuitkering te kunnen vaststellen het noodzakelijk is dat appellant zijn salarisspecificaties over de periode oktober 2004 tot en met januari 2005 opstuurt.

Bij brief van 17 maart 2006 heeft appellant de Svb geantwoord dat hij in deze periode geen enkele bron van inkomsten had.

Bij brief van 21 maart 2006 heeft de Svb appellant een aanvraagformulier toegezonden, dat door appellant ingevuld, en op 22 maart 2006 ondertekend, retour is gezonden.

Bij besluit van 21 april 2006 heeft de Svb appellant over de periode oktober 2004 tot en met januari 2005 een nabestaandenuitkering van € 985,24 bruto per maand toegekend. Bij onderscheiden besluit van dezelfde datum heeft de Svb het recht van appellant op een nabestaandenuitkering met ingang van 1 februari 2005 beëindigd op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Daarbij is aangegeven dat indien appellant besluit om binnen zes maanden na 21 april 2006 de gezamenlijke huishouding te beëindigen, hij mogelijkerwijs opnieuw in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering. Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het (primaire) beëindigingsbesluit van 21 april 2006, waarbij de nabestaandenuitkering van appellant niet met ingang van oktober 2004 maar met ingang van 1 februari 2005 is beëindigd, rechtens onaantastbaar is, zodat slechts in geschil is de periode oktober 2004 tot en met januari 2005. Nu aan appellant bij dit besluit van 21 april 2006 over deze periode alsnog een nabestaandenuitkering is toegekend heeft appellant geen procesbelang meer bij de beoordeling van zijn beroep.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, hij ten onrechte door de Svb niet is gehoord en de Svb in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht een volledige heroverweging achterwege heeft gelaten.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Daarbij acht de Raad van belang dat de Svb alsnog per oktober 2004 een ANW-uitkering aan appellant heeft toegekend en dat van enig (ander) rechtens relevant belang van appellant bij de beoordeling van het bestreden besluit niet is gebleken. Voor het overige verenigt de Raad zich met de overwegingen van de aangevallen uitspraak en maakt die tot de zijne.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

IJ