Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
06-481 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Medisch onderzoek zorgvuldig. Overschrijdt belasting geduide functies de vastgestelde belastbaarheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/481 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2005, 05/456 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door het Uwv zijn stukken van arbeidskundige aard ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Namens appellant is verschenen mr. Schenkhuizen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts-Alsemgeest.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker toen hij op 18 augustus 2003 uitviel als gevolg van de val van een dak, waarbij hij onder meer een anterieure compressiefractuur opliep. Appellant is bij besluit van 16 juli 2004 door het Uwv na ommekomst van de wettelijke wachttijd met ingang van 16 augustus 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar de klasse 25 tot 35%. Bij besluit van 15 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juli 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank in de gedingstukken, waaronder de door appellant overgelegde informatie over in Turkije bij appellant verrichte medische onderzoeken, en in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten zijn gevonden om te oordelen dat de verzekeringsarts de medische beperkingen van appellant, zoals weergegeven in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), heeft onderschat. Het bestreden besluit is volgens de rechtbank gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies op goede gronden voor de schatting heeft gebruikt.

In hoger beroep heeft appellant zijn tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven, welke met name de door het Uwv voor appellant vastgestelde belastbaarheid betreffen, in essentie herhaald.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt als volgt.

De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van de onderhavige schatting onderschrijft de Raad. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant, zoals die in de aangevallen uitspraak is beoordeeld en biedt onvoldoende aanknopingspunten tot het instellen van een extern medisch onderzoek. Aan de eigen mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidssituatie op de thans in geding zijnde datum, 16 augustus 2004, kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.

Met betrekking tot het arbeidskundige deel van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

Blijkens de voor appellant vastgestelde FML van 27 mei 2004 is appellant in rubriek 5, onderdelen 3 en 4, licht beperkt voor staan, in die zin dat hij ongeveer een half uur achtereen kan staan en, zo nodig, gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren) kan staan. In het zogeheten Resultaat functiebeoordeling van 8 januari 2008 betreffende de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functie van inpakker (SBC-code 111190) wordt ten aanzien van het aspect staan vermeld dat daarvan sprake is dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 1 uur (tijdens 2 werkuren viermaal ongeveer 10 minuten achtereen, afhankelijk van de werkplek af te wisselen met zitten op een kruk) en niet-dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 4 uren (tijdens 4 werkuren eenmaal ongeveer 60 minuten achtereen, hetgeen de gehele dag kan voorkomen).

Blijkens zijn rapportage van 8 januari 2008 acht de bezwaararbeidsdeskundige H. de Rooy de door het zogenaamde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) bij de functie inpakker aangegeven signalering op het item staan - zowel dagelijks als niet-dagelijks - afdoende gemotiveerd in de rapportage van zijn collega F. Swart van

8 december 2004, waaruit blijkt dat Swart over deze signalering tevens overleg heeft gevoerd met de bezwaarverzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen. In navolging van laatstgenoemde volstaat Swart ermee in zijn rapportage op te merken dat een uur achtereen staan voor appellant geen bezwaar oplevert.

Nu ook de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting van de Raad desgevraagd op dat punt geen nadere toelichting kon verschaffen, oordeelt de Raad, mede in het licht van zijn uitspraak van 12 oktober 2006, LJN AY9971, waarin de Raad een oordeel heeft uitgesproken inzake de aanpassingen van het CBBS in het licht van zijn uitspraken van

9 november 2004 (onder meer LJN AR4716), ervan uitgaande dat de juiste beperkingen ten aanzien van appellant in aanmerking zijn genomen, althans dat diens beperkingen niet zijn onderschat, dat niet genoegzaam is onderbouwd dat de functie inpakker in medisch opzicht binnen het bereik van appellant ligt. De Raad acht met name van belang dat de niet nader gespecificeerde vermelding “niet dagelijks” bij de belasting inzake het staan in de functie inpakker te onbepaald is om het Uwv te kunnen volgen in de opvatting dat appellant ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen ten aanzien van staan en staan tijdens het werk in staat moet worden geacht 60 minuten achtereen te staan in deze functie.

Nu door de arbeidsdeskundige een drietal functies is geselecteeerd en aan appellant is voorgehouden, komt, gelet op artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit artikelonderdeel ten tijde van de datum in geding luidde, met het vervallen van de meergenoemde functie van inpakker de basis aan de onderhavige schatting te ontvallen.

De Raad komt dan ook tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv dient ter zake van appellants aanspraken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, zulks met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, door de Raad begroot op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv, met inachtneming van het hiervoor overwogene, een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL