Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
06-260 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit weigering WAO-uitkering toe te kennen gehandhaafd. Medische beperkingen onderschat? Gedeeltelijk arbeidsongeschikt bij aanvang verzekering? Zorgvuldig voorbereid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/260 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 december 2005, 05/4042 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.H. Fuchs, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fuchs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk sedert 23 april 2001 werkzaam als medewerker horeca/bedrijfsleidster bij brasserie “[naam bedrijf]”. Op 15 mei 2001 is zij na een arbeidsconflict voor dat werk uitgevallen met psychische klachten.

Bij besluit van 17 september 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 14 mei 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toe te kennen.

Bij besluit van 13 maart 2003 heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 september 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2004 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellante tegen het besluit van 13 maart 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 19 mei 2005 (verder: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn weigering aan appellante met ingang van 13 (lees: 14) mei 2002 een WAO-uitkering toe te kennen gehandhaafd. Het Uwv neemt daarbij het standpunt in dat appellante bij aanvang van de verzekering, 23 april 2001, ten gevolge van ziekte of gebrek reeds beperkingen ondervond en dat er sedertdien geen relevante wijziging is opgetreden in haar gezondheidstoestand. Gelet op de beperkingen bij aanvang van de verzekering was appellante reeds ongeschikt voor de laatstelijk door haar verrichte functie. Op basis van die beperkingen kon appellante bij aanvang van de verzekering wel geschikt worden geacht voor diverse andere functies. Nu appellante per einde wachttijd dergelijke arbeid ook kon verrichten en er geen wijziging is gekomen in de mate van arbeidsongeschikt-heid, dient gelet op artikel 18, tweede lid, van de WAO de mate van haar arbeids-ongeschiktheid in de zin van die wet gesteld te worden op minder dan 15%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat haar beperkingen per einde wachttijd zijn onderschat. Ten onrechte wordt gesteld dat zij bij aanvang van de verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Zij is op

15 mei 2001 uitgevallen voor haar werk en is sedertdien vanwege psychische klachten volledig arbeidsongeschikt.

De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe als volgt.

Artikel 18, tweede lid, van de WAO bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt, reeds gedeeltelijke arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt aangemerkt, indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen soortgelijke personen, die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 2 juli 2007,

LJN BA8937, is voor de toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WAO vereist dat een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) wordt opgesteld met de beperkingen bij aanvang van de verzekering en een FML waarop de beperkingen bij einde wachttijd worden weergegeven. Aan de hand van de FML moet vervolgens voor beide data worden bepaald welke functies betrokkene kan verrichten en wat hij daarmee kan verdienen. De verdiensten bij aanvang verzekering moeten dan worden vergeleken met de verdiensten per einde wachttijd om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.

De Raad overweegt voorts dat toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WAO slechts kan plaatsvinden indien de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid bij de aanvang van de verzekering.

Met betrekking tot de beoordeling per einde wachttijd heeft de Raad geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad ziet in de voorhanden zijnde medische gegevens onvoldoende steun voor het standpunt van appellante dat haar medische beperkingen per einde wachttijd, vastgelegd in de FML van 22 april 2002, zijn onderschat. Uit de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 23 januari 2003 en 4 augustus 2004 blijkt dat hij kennis heeft genomen van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en van de aanwezige informatie van de behandelend sector en dat hij op grond van die gegevens, alsmede van zijn bevindingen tijdens de behandeling van appellantes bezwaar op de hoorzitting, heeft geconcludeerd dat het toestandsbeeld per einde wachttijd wordt gekenmerkt door stemmingswisselingen en impulsiviteit en dat appellante in deze toestand in staat is te achten te functioneren mits rekening wordt gehouden met de vastgestelde beperkingen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd waarin aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat zij op objectieve gronden meer beperkt is te achten dan in de FML is vastgelegd. Ten slotte is de Raad niet gebleken dat de ten aanzien van appellante geselecteerde en aan haar voorgehouden functies in medisch opzicht niet voor haar geschikt zijn te achten.

Met betrekking tot de beoordeling door het Uwv van de belastbaarheid van appellante bij aanvang van de verzekering, 23 april 2001, komt de Raad tot een ander oordeel.

De Raad begrijpt het aan die beoordeling ten grondslag liggende standpunt van het Uwv aldus dat de beperkingen, neergelegd in de FML van 22 april 2002, ook bestonden bij aanvang van de verzekering en dat die beperkingen appellante ongeschikt maken voor de laatste door haar verrichte functie in “[naam bedrijf]”, met name op het punt van de leidinggevende aspecten van die functie. Dit standpunt is gebaseerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 4 augustus 2004 en het rapport van de bezwaar-arbeidsdeskundige van 18 mei 2005.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante gezien haar persoonlijkheid niet was opgewassen tegen de complexiteit van haar laatste functie in het opstartende horecabedrijf. Hij heeft daartoe overwogen dat de anamnese van appellante vóór aanvang van het laatste werk een beeld laat zien van instabiele intermenselijke relaties, impulsiviteit en affectlabiliteit naast een instabiel zelfbeeld. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er sprake van kenmerken passende bij een emotioneel instabiele persoonlijkheid. Anders dan de (niet nader te verifiëren) periode op Kreta, zijn er geen periodes aan te geven, aldus de bezwaarverzekeringsarts, dat appellante een leidinggevende taak duurzaam heeft uitgeoefend.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante met beperkingen vanaf 23 april 2001 is gaan werken in de combinatiefunctie van meewerkend horeca-medewerker en leidinggevende van de overige bedienende personeelsleden in een horecaonderneming. Gezien de voor appellante bij aanvang van dit dienstverband vastgestelde beperkingen en dan vooral de beperkingen voor leidinggevende aspecten, is dit werk voor haar als niet passend te beschouwen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de bezwaararbeidsdeskundige gewezen op het arbeidverleden van appellante. Van 1985 tot 1990 hield zij samen met haar toenmalige partner een pension op Kreta. Van 1990 tot 1992 leidde zij samen met haar toenmalige partner een eetcafé te Den Haag. Van 1 januari 1994 tot 1 mei 1998 was zij bedrijfsleider in een bloemenzaak van haar zwager, waar zij na een arbeidsconflict is vertrokken. Eerst vanaf 23 april 2001 verrichtte zij weer werkzaamheden als horecamedewerker in de “[naam bedrijf]”. Op basis van dit arbeidsverleden valt naar de mening van de bezwaararbeidsdeskundige niet te ontkennen dat appellante ervaring in de horeca heeft, maar appellante heeft die ervaring altijd opgedaan met en ter ondersteuning van haar toenmalige partners. Diploma’s in deze beroepsrichting ontbeert zij. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige telefonisch overleg gehad met een van de vennoten van “[naam bedrijf]”, waaruit naar voren kwam dat appellante wel in staat was de eigen horecawerkzaamheden naar behoren te verrichten, maar dat het aansturen van personeel teveel was gevraagd en dat de leidinggevende taken al snel door een van de meewerkende vennoten moesten worden overgenomen.

De Raad is van oordeel dat met deze onderbouwing geen sprake is van bovenbedoelde ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan van een reële ongeschiktheid voor de laatste functie bij aanvang van het dienstverband bij de “[naam bedrijf]”. De Raad heeft hierbij in overweging genomen dat uit de beschikbare gegevens onvoldoende is af te leiden dat appellante op 23 april 2001 beperkingen had met betrekking tot leidinggevende taken. Onbetwist is dat appellante van 1 januari 1994 tot 1 mei 1998 werkzaam is geweest als bedrijfsleider in een bloemenzaak. Het Uwv heeft geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij daarin niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Het feit dat zij ruim vier jaren daar als bedrijfsleider heeft gefunctioneerd wijst eerder op het tegendeel. Omstandigheden als dat zij in familierelatie stond tot de eigenaar of dat zij geen horecadiploma’s bezat, maken op zichzelf beschouwd niet dat zij niet in staat zou zijn leidinggevende taken in die functie te vervullen. Ook ten aanzien van de periode van 1 mei 1998 tot 23 april 2001, in welke periode zij geen verzekerde werkzaamheden verrichtte noch een uitkering ontving op grond waarvan zij als verzekerd ingevolge de WAO moest worden aangemerkt, bestaan geen gegevens met betrekking tot eventuele gebreken in het sociaal functioneren van appellante. Voorts zijn geen medische gegevens voorhanden, waaruit het bestaan van een reële ongeschiktheid per 23 april 2001 is af te leiden. Weliswaar verwijst de bezwaarverzekeringsarts naar een mededeling van de klinisch psycholoog J.A. Snijders in zijn brief van 10 februari 2003 dat bij appellante sprake is van een gedragspatroon waardoor zij steeds in (werk)relaties over zich heen laat lopen en zich berooid aan de kant gezet voelt, doch blijkens dat schrijven betreft deze mededeling slechts een onderbouwing van een door appellante gedane aanmelding voor individuele therapie. Aanwijzingen van het bestaan van beperkingen bij appellante voor of op 23 april 2001, die de conclusie rechtvaardigen dat zij geheel of gedeeltelijk ongeschikt is te achten voor haar laatste functie, ontbreken in dit schrijven. Voorts kan de Raad aan de verklaring van de vennoot van “[naam bedrijf]”, dat bij appellante leidinggevende capaciteiten altijd al hebben ontbroken, niet die betekenis toekennen die het Uwv daaraan gehecht wil zien. Appellante is feitelijk slechts drie weken in dienst geweest en uit de stukken komt naar voren dat zij mede vanwege een persoonlijk conflict met een van de andere vennoten is uitgevallen. Onder die omstandigheden komt het de Raad voor dat van een reële beoordeling van haar functioneren geen sprake is. De Raad wijst er ten slotte op dat appellante is aangenomen vanwege haar uitstraling, charisma en horeca-ervaring.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het bestreden besluit dus ten onrechte in stand gelaten, zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Voorts dient het Uwv met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 17,50 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.305,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.305,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan een bedrag van € 644,-- aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep aan de griffier van de Raad en het overige bedrag (€ 661,50) aan appellante.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

MH