Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
06-7299 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart. Niet tijdig melden vermissing. Niet tijdig inleveren. Overmacht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7299 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 december 2006, 06/875 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene],

en

appellante

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2008. Appellante was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor de feiten en de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Dit geding betreft de beantwoording van de vraag of de aan betrokkene - onder toepassing van artikel 3.27 van de Wet studiefinanciering (Wsf 2000) - opgelegde vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart (hierna: OV-kaart) over de periode juli tot en met de eerste helft van oktober 2005 ten bedrage van € 476,-, zoals deze is neergelegd in het besluit op bezwaar van 3 mei 2006, in rechte stand kan houden.

Betrokkene heeft in beroep tegen het besluit van 3 mei 2006 aangevoerd dat het niet tijdig inleveren van de OV-kaart haar op geen enkele wijze kan worden toegerekend nu ze niet in de gelegenheid was om de kaart zelf tijdig in te leveren. In dit verband is - onder overlegging van een verklaring van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden - gesteld dat betrokkene in Peru gedetineerd was van 7 mei 2005 tot 29 mei 2005 en haar documenten, waaronder de OV-kaart, in beslag zijn genomen. Aansluitend moest zij noodgedwongen in Peru verblijven tot 21 juli 2007 in afwachting van het verkrijgen van een noodpaspoort en kon ze vervolgens wegens gebrek aan financiële middelen eerst op 10 augustus via Spanje terugkeren naar Nederland waarna ze op 12 augustus 2005, en nogmaals op 7 oktober 2005, melding heeft gemaakt van vermissing van de OV-kaart.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 3 mei 2006 vernietigd. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres met ingang van 1 juli 2005 geen recht meer heeft op studiefinanciering. Eiseres had derhalve uiterlijk op 7 juli 2005 de kaart moeten inleveren, dan wel uiterlijk op die dag melding moeten maken van de vermissing van haar OV-studentenkaart. De vraag is, gelet op het bepaalde in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000, of in het geval van eiseres het niet tijdig inleveren of, nu eiseres niet meer in het bezit is van de OV-studentenkaart, het niet tijdig melden van de vermissing van de kaart haar op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

Op grond van de verklaring van de Nederlandse Ambassade in Peru van 19 juli 2006 staat vast dat eiseres van 7 mei 2005 tot 21 juli 2005 buiten haar wil in Peru heeft moeten verblijven. Gelet op die verklaring en gelet op de omstandigheden waaronder eiseres in die periode gedwongen in Peru heeft verbleven, moet naar het oordeel van de rechtbank worden gezegd dat het eiseres tot en met 21 juli 2005 niet was toe te rekenen dat zij niet tijdig melding heeft gemaakt van de vermissing van de OV-studentenkaart. Verweersters betoog dat de arrestatie en detentie in Peru niet voor haar rekening en risico komt, gaat in onderhavig geval van overmacht derhalve niet op.

De vraag dient vervolgens beantwoord te worden of eiseres zo spoedig mogelijk na

21 juli 2005 melding heeft gemaakt bij verweerster van vermissing van de kaart. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Ter zitting is gebleken dat eiseres na haar vertrek uit Peru tot omstreeks 12 augustus 2005 in Spanje heeft verbleven, omdat het voor haar om financiële redenen niet mogelijk was om terstond naar Nederland te reizen. De rechtbank is echter niet gebleken dat deze of andere omstandigheden haar zouden hebben belet om de vermissing van haar

OV-studentenkaart bij verweerster op de daartoe gebruikelijke wijze kenbaar te maken of te laten maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres op of onmiddellijk na

22 juli 2005 verweerster had dienen te informeren omtrent de vermissing van haar

OV-studentenkaart dan wel handelingen had dienen te verrichten om die vermissing bij verweerster kenbaar te doen maken, een en ander zoals voorgeschreven op het daartoe bestemde formulier. Daaraan kan niet afdoen eiseresses mededeling nadien, dat zij een nieuwe studie startte en evenmin het feit dat zij de OV-studentenkaart niet heeft gebruikt. Gezegd moet dan ook worden dat het eiseres vanaf 22 juli 2005 is toe te rekenen dat zij geen melding heeft gemaakt van de vermissing van haar OV-studentenkaart.”.

Appellante voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het betrokkene tot en met 21 juli 2005 niet was toe te rekenen dat zij niet tijdig melding heeft gemaakt van de vermissing van de OV-kaart. Op 29 mei 2005 is betrokkene vrijgelaten zodat ze ervoor had kunnen zorgen dat uiterlijk op 7 juli 2005 namens haar op een Nederlands postkantoor het kwijtraken van de OV-kaart zou worden geregistreerd. Voorts is aangevoerd dat niet valt in te zien dat de situatie waarin betrokkene in Peru vanaf 29 mei 2005 verkeerde anders was dan ten tijde van het verblijf in Spanje terzake waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat dit verblijf haar zou hebben belet om de vermissing van de OV-kaart op de daartoe gebruikelijke wijze kenbaar te maken of te laten maken.

In het verweerschrift is namens betrokkene aangegeven dat het formulier om de vermissing van de OV-kaart te melden niet te downloaden is via de internetsite van appellante, zodat betrokkene geen enkele mogelijkheid had om de vermissing op de voorgeschreven wijze vanuit Peru dan wel Spanje te registreren. Verder dient hierbij in aanmerking te worden genomen dat betrokkene (destijds vanuit een Oosteuropees land) naar Nederland is gekomen om te studeren en zij geen familie heeft in Nederland.

De Raad stelt vast dat tussen partijen louter in geschil is of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000.

De Raad overweegt dat de wetgever - gezien de formulering in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000 “op geen enkele wijze kan worden toegerekend” - slechts in evidente gevallen van overmacht reden ziet voor het maken van een uitzondering op de inleverplicht.

De omstandigheid dat betrokkene eerst op 21 juli 2005 Peru heeft kunnen verlaten, betekent naar het oordeel van de Raad niet dat betrokkene niet op enigerlei wijze, bijvoorbeeld telefonisch of via de Nederlandse ambassade in Peru, tussen haar vrijlating in Peru op 29 mei 2005 en 7 juli 2005 contact heeft kunnen opnemen met appellante om te melden dat haar OV-kaart in beslag was genomen en dat zij Peru niet kan verlaten en om te vragen wat te doen. Wat hier ook van zij, de Raad acht van doorslaggevend belang dat noch (expliciet) is gesteld noch is gebleken dat appellante haar belangen - vanaf

29 mei 2005 - niet door een derde heeft kunnen laten behartigen. De enkele melding in hoger beroep dat betrokkene geen familie heeft in Nederland is onvoldoende om aan te nemen dat betrokkene, die, volgens haar eigen verklaring, in mei 1997 naar Nederland is gekomen en reeds gedurende langere tijd in Nederland studeerde, in 2005 op niemand kon terugvallen ter behartiging van haar belangen in het kader van de Wsf 2000.

De Raad is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin het niet tijdig inleveren van de OV-kaart ten gevolge van vermissing van de OV-kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

Nu voorts voor de Raad op grond van de beschikbare gedingstukken vaststaat dat eerst op 7 oktober 2005 door betrokkene volledig is voldaan aan de wettelijke eisen voor registratie van de vermissing van de OV-kaart, is de in het besluit van 3 mei 2006 neergelegde vordering over de periode juli tot en met de eerste helft van oktober 2005 in rechte houdbaar te achten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en dient het beroep van betrokkene alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MK