Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
07-133 WWB + 07-135 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Geen melding gemaakt van op geld waardeerbare activiteiten. Schending inlichtingenverplichting. Deugdelijke grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 109

Uitspraak

07/133 WWB

07/135 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 november 2006, 06/2674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.J.C. Piet, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met reg.nrs. 06/6431 WWB en 06/6432 WWB, plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Piet. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Acun, werkzaam bij de gemeente Tilburg. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 6 oktober 2005 is appellant gedetineerd en met ingang van 7 oktober 2005 heeft appellante bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een melding van de regiopolitie Midden West Brabant dat appellant betrokken was bij de productie van en handel in amfetamine en dat tijdens doorzoeking van de woning van appellanten 2250 hennepstekjes waren aangetroffen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het “rapport uitkeringsfraude” van 25 januari 2006. Op basis daarvan heeft het College bij besluit van 26 januari 2006 de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het College vervolgens de bijstand over de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand tot een bedrag van bruto € 8.079,57 teruggevorderd. De Raad begrijpt evenals de rechtbank het terugvorderingsbesluit aldus, dat van appellanten samen een bedrag van € 4.362,87 (ziende op de periode van 1 juli 2005 tot en met 6 oktober 2005) en van appellante afzonderlijk een bedrag van € 3.716,70 (betreffende de periode van 7 oktober 2005 tot en met 31 december 2005) wordt teruggevorderd.

Bij besluit van 20 april 2006 heeft het College de tegen de besluiten van 26 januari 2006 en 2 februari 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant betrokken is geweest bij de productie en het vervoer van amfetamine, dat in de woning van appellanten hennepplantjes zijn aangetroffen, dat zij een en ander niet aan het College hebben gemeld, en dat zij evenmin duidelijkheid hebben verschaft over de inkomsten die met deze activiteiten zijn verworven. Hierdoor kan hun recht over de gehele periode vanaf 1 juli 2005 niet worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 april 2006 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant, voor zover in dit geding van belang, is ongegrond verklaard voor zover het ziet op de periode van 1 juli 2005 tot en met 6 oktober 2005.

In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd, voor zover daarbij het ingestelde beroep ongegrond is verklaard. Daarbij is er met name op gewezen dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep in de strafzaak jegens appellant bij arrest van 1 augustus 2006 slechts bewezen heeft verklaard dat deze op 22 september 2005 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk hoeveelheden amfetamine heeft verwerkt en dat hij op 4 oktober 2005 te Tilburg om een feit, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en verwerken van één of meer hoeveelheden van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden of te bevorderen een voorwerp en een stof voorhanden heeft gehad, waarvan appellant wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit. Appellant is daarbij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat appellant op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 7 oktober 2005 geen recht op bijstand (meer) heeft en dat appellante vanaf die datum voor de toepassing van de WWB als alleenstaande ouder moet worden aangemerkt.

Voorts overweegt de Raad ten aanzien van de drie in dit geding te onderscheiden periodes het volgende.

a. De periode van 1 juli 2005 tot en met 6 oktober 2005

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel berust, dat de onderzoeksbevindingen van het Team Fraudebestrijding toereikend zijn voor de conclusie dat appellant ten tijde hier in geding betrokken is geweest bij de (voorbereiding van de) productie van en het gereed maken voor de handel in amfetamine. Daarnaast staat vast dat tijdens de huiszoeking op 4 oktober 2005 2250 hennepstekjes in de woning van appellanten zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. Van het een noch het ander hebben appellanten melding gemaakt bij het College, zodat zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten hebben desgevraagd volstaan met de blote ontkenning dat zij meldingsplichtige werkzaamheden hebben verricht en hebben - subsidiair - gesteld in verband met bovenvermelde activiteiten in ieder geval geen inkomsten te hebben ontvangen. Voorts hebben zij gesteld dat de aangetroffen hennepstekjes aan een derde toebehoorden en dat deze slechts voor zeer tijdelijke opslag in hun woning stonden. De naam van die derde hebben zij niet willen noemen. De Raad stelt vast dat de activiteiten van appellant ten tijde in geding als op geld waardeerbare werkzaamheden moeten worden aangemerkt. Door daarvan geen melding te maken en/of administratie bij te houden, hebben appellanten het College geen inzicht verstrekt in de precieze aard en omvang van de werkzaamheden en de daaruit verworven dan wel toe te rekenen verdiensten. Het College heeft zich derhalve, mede gelet op de aard van de activiteiten, terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellanten over deze periode niet was vast te stellen.

Dit betekent dat het College ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellanten over deze periode verleende bijstand. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

Daarmee is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de aan appellanten over deze periode betaalde kosten van bijstand. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van de terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van deze beleidsregels had moet afwijken.

Het hoger beroep treft in zoverre dan ook geen doel.

b. De periode van 7 oktober 2005 tot en met 31 december 2005

Zoals hiervoor al is overwogen was appellante, vanwege de detentie van appellant, in deze periode zelfstandig subject van bijstand met aanspraak op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Raad stelt verder vast dat van enige betrokkenheid van appellante bij voortgaande productie of vervoer van amfetamine dan wel daaruit verkregen inkomsten in deze periode in het geheel niet is gebleken. Evenmin bevinden zich onder de gedingstukken aanknopingspunten dat er in deze periode nog transacties hebben plaatsgevonden waarbij appellante op enigerlei wijze was betrokken of waaruit inkomsten zijn verworven. Van andere geldstromen of concrete aanwijzingen dat sprake is van opgebouwd vermogen in verband met eerdere betrokkenheid bij genoemde activiteiten is evenmin gebleken. Bij de huiszoeking zijn ook geen geldbedragen aangetroffen. Ten slotte acht de Raad het in dit verband niet zonder betekenis dat in de strafzaak jegens appellant geen vordering wegens wederechtelijk genoten voordeel is ingesteld.

Ten aanzien van de hennepstekjes, die tijdens de huiszoeking op 4 oktober 2005 in beslag zijn genomen, geldt in wezen hetzelfde. De Raad acht hierbij van belang dat tijdens de huiszoeking in de woning geen deugdelijke en toereikende apparatuur voor het opzetten of in gang houden van een hennepkwekerij is aangetroffen. Van een afwijkend stroomgebruik is volgens Essent evenmin gebleken. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat het College appellante ten tijde hier in geding niet langer kon tegenwerpen dat zij geen betrouwbare en verifieerbare bewijsstukken heeft overgelegd met betrekking tot de productie van amfetamine en het bezit van de hennepstekjes. Aldus kan niet staande worden gehouden dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante over deze periode niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het besluit van 20 april 2006, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over deze periode is gehandhaafd, niet op een deugdelijke grondslag berust.

c. De periode vanaf 1 januari 2006

Volgens vaste rechtspraak van de Raad loopt de hier te beoordelen periode waarover is ingetrokken van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2006 (de datum waarop het primaire besluit is genomen). Het voorgaande zoals weergegeven onder b. is onverkort van toepassing op deze periode. Daarmee komt aan het besluit tot intrekking van 26 januari 2006 en het daarop gevolgde besluit op bezwaar van 20 april 2006 op dit onderdeel de grond te ontvallen. Ook in zoverre berust het besluit van 20 april 2006 derhalve niet op een deugdelijke grondslag.

Het hoger beroep slaagt derhalve wat betreft de onder b. en c. genoemde periodes.

De rechtbank heeft hetgeen de Raad ten aanzien daarvan heeft overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante gegrond verklaren en het besluit van 20 april 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand van appellante ingaande 7 oktober 2004. De Raad stelt voorts vast dat het besluit van 2 februari 2006 (in zoverre) en het besluit van 26 januari 2006 op dezelfde hiervoor ondeugdelijk gebleken grondslag berusten. Aangezien geen aanwijzing voorhanden is dat appellante gedurende de bij b. en c. genoemde periodes (anderszins) over in aanmerking te nemen middelen beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door deze besluiten (in zoverre) te herroepen. Het voorgaande brengt tevens mee dat wat betreft de periode van 7 oktober 2005 tot en met 31 december 2005 niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College niet bevoegd was tot terugvordering. Het besluit van 20 april 2006 komt op die grond ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het jegens appellante genomen primaire terugvorderingsbesluit eveneens herroepen.

Het voorgaande betekent dat de bijstand van appellante vanaf 7 oktober 2005 diende te worden voortgezet naar de norm voor een alleenstaande ouder voor zover zij ook overigens voldeed aan de vereisten voor bijstandsverlening.

De kosten

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 322,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 483,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak in hoger beroep ter zitting gevoegd is behandeld met het geding onder de nummers 06/6431 en 06/6432.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, behoudens voor zover daarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep van appellante gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 april 2006 voor zover dit ziet op de intrekking en de terugvordering over de periode van 7 oktober 2005 tot en met 31 december 2005, en op de intrekking met ingang van 1 januari 2006;

Herroept het besluit van 26 januari 2006;

Herroept het besluit van 2 februari 2006 voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering over de periode van 7 oktober 2005 tot en met 31 december 2005;

Veroordeelt het College in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.449,--, te betalen door de gemeente Tilburg aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg het door appellanten betaalde griffierecht van in totaal

€ 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Zijmers.