Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
06-223 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid medisch onderzoek. Juistheid vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/223 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2005, 05/2196 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Scheltes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend. Bij schrijven van 8 oktober 2007 heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007 waar appellante en haar gemachtigde in persoon zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft zich op 17 februari 2003 in verband met surmenage ziek gemeld voor haar werkzaamheden als docent Nederlands in het volwassenen onderwijs. Appellante heeft na haar uitval ook een tweetal operaties ondergaan.

De voor het Uwv werkzame verzekeringsarts concludeerde na dossieronderzoek en eigen onderzoek op 6 april 2004 dat appellante per einde wachttijd op 16 februari 2004 geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid had omdat zij op dat moment in een dusdanige fysieke en mentale toestand was dat ze nauwelijks voor zichzelf kon zorgen. De verzekeringsarts merkte in zijn rapportage tevens op dat het huishouden van appellante op dat moment marginaal verliep en dat appellante sociaal geïsoleerd was. De verzekeringsarts stelde vervolgens vast dat appellante per datum onderzoek in staat te achten was passende arbeid te verrichten. De verzekeringsarts heeft geen indicatie gezien voor een urenbeperking omdat appellante op dat moment een volledig dagprogramma had met een normaal dag- en nachtritme. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante per 16 februari 2004 en per 6 april 2004 vastgesteld in twee zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijsten (FML).

De voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige concludeerde na functieduiding dat appellante met ingang van 6 april 2004 arbeidsongeschikt te achten was naar een mate van 45,99%.

Het Uwv heeft daarop twee besluiten genomen, beide gedateerd 7 juni 2004, waarbij appellante respectievelijk per 16 februari 2004 volledig arbeidsongeschikt is geacht ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en waarbij appellante per 6 april 2004 arbeidsongeschikt is geacht naar de klasse 45 tot 55%.

Appellante is in bezwaar gekomen van dat laatste besluit. Hetgeen appellante in bezwaar heeft gesteld, heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen dan de verzekeringsarts.

Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 15 april 2005, hierna: het bestreden besluit, voornoemd besluit van 7 juni 2004 gehandhaafd.

Appellante heeft in beroep de juistheid van het bestreden besluit betwist. Appellante heeft daartoe - onder meer - aangevoerd dat zij per 6 april 2004 zodanige energetische beperkingen had dat zij niet voltijds kon werken en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was verricht omdat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zich voor de anamnese van appellante gebaseerd hebben op een stuk in het dossier (gedingstuk 6), dat betrekking heeft op een onbekende persoon, genaamd Bakker. Appellante heeft ter onderbouwing van haar grieven verwezen naar een op 15 juni 2005 gedateerde verklaring van E. van Wijk (bedrijfsarts van het ROC), een op 14 maart 2005 gedateerde verklaring van beeldend therapeut J. Glas en een op 28 oktober 2005 gedateerde rapportage van bedrijfsarts en medisch adviseur E. Kooy.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit haar juist voorkwam en dat het Uwv in voldoende mate heeft aangetoond dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante. Nu het Uwv eerst in beroep een deugdelijke toelichting en motivering gegeven heeft voor de geschiktheid van de geduide functies heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De rechtbank heeft verder opgemerkt dat het Uwv voldoende zorgvuldigheid betracht heeft bij de voorbereiding van het bestreden besluit en dat haar niet is gebleken van een persoonsverwisseling. De rechtbank heeft tot slot een proceskostenveroordeling uitgesproken.

Namens appellante is in hoger beroep onder verwijzing naar voornoemde rapportage van bedrijfsarts en medisch adviseur Kooy aangevoerd dat het Uwv onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft hoe de medische situatie van appellante in een periode van 7 weken, van 16 februari 2004 tot 6 april 2004, zo vooruitgegaan is dat zij uitgaande van een situatie waarin zij niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden, per 6 april 2004 belastbaar te achten is voor passende arbeid. Namens appellante is voorts gesteld dat het door de verzekeringsarts beschreven dagverhaal van appellante uiterst beperkt is en onvoldoende onderscheid maakt tussen de situatie per 16 februari 2004 en per 6 april 2004.

Appellante heeft verder gesteld dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de persoonsverwisseling geen rol heeft gespeeld in het uiteindelijke medisch oordeel van het Uwv. Appellante heeft in dit verband nog opgemerkt dat door de ‘vervuiling’ van het dossier met een persoon met een ander ziektebeeld het waarschijnlijk te achten is dat de verzekeringsarts dit andere ziektebeeld voor ogen heeft gehad bij de vaststelling van appellantes belastbaarheid. Appellante heeft tot slot gesteld dat zij voornoemde grief reeds in bezwaar had aangevoerd en dat het Uwv, dat hierin geen aanleiding gezien heeft appellante door een andere verzekeringsarts te laten onderzoeken, aldus jegens appellante onzorgvuldig gehandeld heeft.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft in hetgeen namens appellante is aangevoerd onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad merkt op dat uit de rapportage van de verzekeringsarts afdoende blijkt dat de medische situatie van appellante ten tijde van het onderzoek op 6 april 2004 zodanig verbeterd was ten opzichte van de situatie per einde wachttijd op 16 februari 2004, dat niet meer aangenomen kon worden dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Uit de anamnese blijkt dat appellante weliswaar nog klachten had, maar ook dat zij weer activiteiten ondernam en dat haar dag- en nachtritme niet langer volledig gestoord was. Hieraan doet niet af dat appellantes medische situatie slechts kort daarvoor verbeterd was. De verzekeringsarts heeft in de FML van 13 april 2004 rekening gehouden met de door appellante geuite klachten, waaronder de psychische klachten. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij - op onder meer energetisch gebied - meer beperkt is te achten dan door het Uwv is aangenomen.

De Raad is tot slot, evenals de rechtbank, van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geweest is en dat uit de dossierstukken afdoende blijkt dat er geen sprake is geweest van een persoonsverwisseling noch dat de verzekeringsarts is uitgegaan van een onjuist ziektebeeld bij appellante. De Raad merkt in dit verband op dat de in de verzekeringsgeneeskundige rapportages vermelde klachten en beperkingen overeen komen met de klachten en beperkingen die beschreven zijn in de door appellante in geding gebrachte (medische) stukken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M. Lochs.

HS