Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5905

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
07-373 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toegekende studiefinanciering omgezet in beurs naar norm voor thuiswonende studerende, aangezien gemelde adres afwijkt van GBA. Betrokkene in gelegenheid gesteld afwijking te herstellen? Waarschuwingsbrieven ontvangen?

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/373 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 december 2006, 06/1340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene]

en

appellante

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2008. Voor appellante is verschenen mr. K.F. Hofstee. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij brieven van 12 november 2005, gericht aan het adres [adres] te Utrecht en aan het adres [adres Wassenaar] te Wassenaar, heeft appellante aan betrokkene meegedeeld dat bij controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan de IB-Groep heeft doorgegeven ([adres] te Utrecht) in de maand oktober 2005 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven ([adres Wassenaar] te Wassenaar). Betrokkene is bij die brieven gewaarschuwd dat, indien zij de afwijking tussen die beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de aan haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van oktober 2005 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Betrokkene heeft op die brieven niet binnen die vier weken gereageerd.

Vervolgens heeft appellante bij besluiten van 13 januari 2006 (Bericht Studiefinanciering 2005, nr. 5, en Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 3), gericht aan het adres [adres] te Utrecht, de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van oktober 2005 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Tegen deze besluiten heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij het volgende aangevoerd.

Per 1 november 2005 is zij verhuisd van het adres [adres] te Utrecht naar het adres [tweede adres Utrecht] te Utrecht. Op grond van de aan haar op het gemeentehuis van Utrecht verstrekte inlichtingen was zij in de veronderstelling dat die woonadreswijziging automatisch via de GBA aan de IB-Groep zou worden gemeld. Op 18 januari 2006 heeft zij telefonisch contact met de IB-Groep opgenomen over het verhogen van haar lening en tijdens dat gesprek is haar gebleken dat haar woonadres bij de IB-Groep niet is gewijzigd van [adres Wassenaar] te Wassenaar in [tweede adres Utrecht] te Utrecht. Vervolgens heeft zij de beide hiervoor vermelde besluiten van 13 januari 2006 nog op haar oude adres [adres] te Utrecht kunnen achterhalen en heeft zij alsnog bezwaar gemaakt tegen de omzetting, stellende dat zij de waarschuwingsbrief van 12 november 2005 niet heeft ontvangen en bijgevolg niet in staat is geweest tijdig haar adres volgens de GBA in overeenstemming te brengen met haar werkelijke woonadres.

Bij besluit van 15 maart 2006 heeft appellante dat bezwaar ongegrond verklaard onder overweging dat onderzoek heeft uitgewezen dat de aan het adres [adres Wassenaar] te Wassenaar gerichte waarschuwingsbrief van 12 november 2005 is gezonden naar een oud GBA-adres, maar dat de IB-Groep niet is aan te rekenen dat de andere waarschuwingsbrief is gezonden naar het bij de IB-Groep bekende woonadres

[adres] te Utrecht. Aangezien betrokkene heeft nagelaten tijdig haar nieuwe woonadres door te geven aan de IB-Groep, dienen de gevolgen die daaruit voortvloeien voor haar rekening te komen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 15 maart 2006 vernietigd, bepaald dat appellante met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt en voorts het een en ander bepaald over griffierecht en proceskosten.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene heeft betwist dat de waarschuwingsbrieven van 12 november 2005 zijn verzonden, dat niet aannemelijk geworden is die brieven ter post zijn bezorgd en dat bijgevolg niet aannemelijk is geworden dat betrokkene door appellante in de gelegenheid is gesteld om de beide adressen met elkaar in overeenstemming te brengen, zodat appellante de beurs aan betrokkene niet had mogen omzetten in een beurs naar de norm voor een thuiswonende.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat de beide waarschuwingsbrieven zijn verzonden. Niet aan de orde is dat betrokkene die brieven niet heeft ontvangen, omdat die niet zouden zijn verzonden, maar omdat betrokkene heeft nagelaten haar adreswijziging aan de IB-Groep door te geven. Voorts acht appellante niet aannemelijk dat twee aan verschillende adressen (het door betrokkene zelf aan de IB-Groep opgegeven woonadres en het bij de GBA geregistreerde adres) gerichte brieven niet zouden zijn verzonden.

Appellante is erbij gebleven dat het aan betrokkene is te wijten dat zij de waarschuwingsbrieven niet onder ogen heeft gekregen en dat terecht is overgegaan tot omzetting in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

De Raad overweegt als volgt.

In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat zij geen van de beide waarschuwingsbrieven heeft ontvangen, niet omdat die brieven niet zouden zijn verzonden, maar omdat zij op geen van die beide adressen nog woonde. De ontvangst van die beide brieven op de adressen waaraan die brieven waren gericht, is door betrokkene in beroep niet betwist en er bestond voor de rechtbank dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat die brieven niet naar die adressen zijn verzonden.

Op vragen van de Raad heeft appellante (bij brief van 11 december 2007) uiteengezet hoe de adressencontrole geschiedt. Daaruit is naar voren gekomen dat het door de studerende aan de IB-Groep opgegeven woonadres telkens aan het begin van elke maand wordt vergeleken met het adres waarop die studerende in de GBA staat geregistreerd. Wordt een afwijking geconstateerd, dan wordt na ongeveer vijf weken de waarschuwingsbrief aangemaakt.

In het thans aanhangige geval is die brief aangemaakt in de nacht van 7 op 8 november 2005, aldus appellante, die daaraan het volgende heeft toegevoegd.

Aangezien betrokkene zich eerst op 7 november 2005 heeft ingeschreven op een ander GBA-adres ([tweede adres Utrecht] te Utrecht), was op z’n vroegst op 8 november 2005 dat nieuwe GBA-adres bekend in het Centraal Identificatiesysteem Onderwijsgerelateerde Personen (CIOP). Dat nieuwe GBA-adres is evenwel niet op 8 november 2005 doorgegeven aan het geautomatiseerde systeem van studiefinanciering; die uitwisseling heeft in de nacht van 8 op 9 november 2005 plaatsgevonden.

De aan het door de studerende aan de IB-Groep opgegeven woonadres gerichte waarschuwingsbrief moet worden gekwalificeerd als de bekendmaking in de zin van artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000), terwijl de waarschuwingsbrief die is gericht aan het adres waarop de studerende in de GBA staat geregistreerd, moet worden gezien als extra dienstverlening.

Naar het oordeel van de Raad dient uitgangspunt te zijn dat een waarschuwingsbrief wordt gezonden naar het juiste adres van de studerende, dat wil - in dit verband - zeggen het op het moment van verzending bij de IB-Groep bekende adres en dat geldt voor zowel het woonadres als het GBA-adres van de studerende. Wat het door betrokkene aan de IB-Groep laatstelijk doorgegeven woonadres betreft ([adres] te Utrecht) is de waarschuwingsbrief naar het juiste adres gezonden. Wat het laatstelijk bij de IB-Groep bekende GBA-adres betreft ([adres Wassenaar] te Wassenaar) is de waarschuwingsbrief niet naar het juiste adres gezonden, immers, op het moment van verzending van die brief

- 12 november 2005 - was bij de IB-Groep bekend dat betrokkene per 7 november 2005 stond ingeschreven op een ander GBA-adres ([tweede adres Utrecht] te Utrecht).

Het is begrijpelijk dat het enige tijd kost voordat die GBA-adreswijziging bij de IB-Groep is verwerkt en evenzeer begrijpelijk dat met het aanmaken van de aan het GBA-adres gerichte waarschuwingsbrieven al enige tijd tevoren, voordat de verwerking van een GBA-adreswijziging is voltooid, een begin wordt gemaakt, maar dat alles kan niet wegnemen dat in het thans aanhangige geval de aan het GBA-adres van betrokkene gerichte waarschuwingsbrief van 12 november 2005 niet aan het op dàt moment juiste en bij de IB-Groep al wel bekende GBA-adres is verzonden. Dat oordeel houdt geen verwijt aan het adres van de IB-Groep in, maar is slechts een constatering, die overigens in betrekkelijk weinig gevallen van adrescontrole zal kunnen worden gemaakt.

De Raad vermag niet in te zien dat de aan het GBA-adres gerichte waarschuwingsbrief niet ook is te kwalificeren als bekendmaking in de zin van artikel 1.5, eerste lid, van de WSF 2000, doch slechts is aan te merken als extra dienstverlening aan het al dan niet verkeerd gaan waarvan wat het recht betreft geen gevolgen kunnen of mogen worden verbonden. Die bepaling gaat weliswaar uit van de situatie dat het door de studerende aan de IB-Groep verstrekte (woon-)adres afwijkt van het adres waarop die studerende in de GBA staat ingeschreven, maar daarmee is niet bedoeld te zeggen dat die studerende actie moet gaan ondernemen om het GBA-adres aangepast te krijgen aan het woonadres. De afwijking moet worden hersteld door òf aanpassing van het GBA-adres aan het woonadres òf aanpassing van het woonadres aan het GBA-adres, met dien verstande dat de beide adressen zoveel mogelijk de juiste situatie moeten weergeven. Omdat bij de

IB-Groep niet bekend zal zijn welke van de beide adressen de werkelijke situatie juist weergeeft (aangenomen dat een van die beide adressen de werkelijke situatie juist weergeeft) en de IB-Groep er belang bij heeft te weten welk adres juist is, is het zaak de waarschuwingsbrief aan de beide adressen te zenden om de kans dat de waarschuwing de uitwonende studerende ook daadwerkelijk bereikt èn de kans dat die studerende binnen vier weken gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om de afwijking ongedaan te maken, zo groot mogelijk te maken.

Uit het vorenstaande volgt dat betrokkene niet naar behoren in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken de afwijking tussen haar woon- en haar GBA-adres ongedaan te maken, zodat de aangevallen uitspraak - zij het op andere grond - in stand kan worden gelaten.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HS