Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
06-2066 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor betrokkene reeds uitkering ontving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2066 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2005 (lees: 2006), nr 05/3811 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft daarbij overgelegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg van 26 april 2006.

Namens betrokkene heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, een verweerschrift ingediend. Hierop heeft het Uwv gereageerd met inzending van een rapport van Kokenberg van 14 juli 2006.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 januari 2008. Namens appellant is verschenen mr. M.K. Dekker. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was werkzaam als havenarbeider toen hij zich op 22 april 1999 ziek meldde in verband met suikerziekte, nekklachten en moeheid. Aan hem is met ingang van

20 april 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend welke werd berekend naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is betrokkene op

7 februari 2002 onderzocht door de verzekeringsarts R.K. Kanhai. Blijkens het van dit onderzoek opgemaakte rapport van dezelfde datum is betrokkene met arbeid belastbaar als rekening wordt gehouden met beperkingen door knieklachten, nekproblemen en suikerziekte. Deze beperkingen zijn door Kanhai vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens 7 februari 2002. Bij het arbeidskundig onderzoek zijn functies geduid en is in een rapport van 27 februari 2002 het verlies aan verdienvermogen berekend op 40%. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 1 maart 2002 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 25 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Betrokkene heeft zich op 21 februari 2003 ziek gemeld, waarna appellant hem op

2 mei 2003 met ingang van 28 april 2003 op grond van de Ziektewet hersteld heeft verklaard. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 12 juni 2003 ongegrond verklaard. Vervolgens is betrokkene op 11 september 2003 verschenen op het spreekuur van Kanhai in het kader van de beoordeling van de vraag of in verband met deze ziekmelding de verkorte wachttijd van vier weken ingevolge artikel 39a van de WAO van toepassing was. In het rapport van Kanhai van 11 september 2003 is bij de anamnese vermeld dat de ziekmelding van betrokkene verband hield met inspanningsgerelateerde krampen in de hartstreek, dat de suikerziekte van betrokkene niet goed gereguleerd was en dat de knieklachten onveranderd waren. Kanhai concludeerde dat de hartklachten een andere ziekte-oorzaak vormen, dat betrokkene reeds energetisch beperkt was vanwege de suikerziekte en de knieklachten en dat de FML van

7 februari 2002 nog steeds van toepassing was. In lijn met deze conclusies heeft appellant bij besluit van 19 november 2003 geweigerd de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 21 maart 2003 te herzien omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor betrokkene reeds uitkering ontving.

In de bezwaarprocedure, welke leidde tot het besluit op bezwaar van 4 juni 2004, waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 november 2003 ongegrond werd verklaard, stelde de in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts Kokenberg zich in zijn rapport van 16 april 2004 op het standpunt dat noch de suikerziekte noch de hartklachten een rol hebben gespeeld bij de toekenning en herziening van de WAO-uitkering van betrokkene en onderschreef Kokenberg de conclusie van Kanhai inzake het ontbreken van een relatie tussen de suikerziekte en de hartklachten van betrokkene. De rechtbank Rotterdam stelde in haar uitspraak van

25 april 2005 op het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 juni 2004 onder verwijzing naar de rapporten van Kanhai vast dat de energetische beperkingen van betrokkene (mede) in verband stonden met de suikerziekte en oordeelde dat de conclusies van Kokenberg nadere toelichting behoefden. Om die reden verklaarde de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2004 gegrond, vernietigde zij dit besluit en droeg zij appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

In zijn rapport van 18 mei 2005 erkende Kokenberg dat de suikerziekte op zich moet worden gezien als een relevante ziekte-oorzaak bij de toekenning en latere herziening van de WAO-uitkering van betrokkene.Voorts zette Kokenberg uiteen waarom naar zijn mening van een direct oorzakelijk verband tussen de hartklachten van betrokkene en diens suikerziekte geen sprake was. Bij besluit van 21 juli 2005 verklaarde appellant vervolgens het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 november 2003 ongegrond.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 21 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens gaf de rechtbank beslissingen omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten. De rechtbank onderschreef wel de visie van Kokenberg inzake de relatie tussen de hartklachten van betrokkene en diens suikerziekte, maar achtte tevens de bevinding van Kanhai op 11 september 2003 dat betrokkene reeds energetisch beperkt was in de FML vanwege de suikerziekte onbegrijpelijk, nu in de FML geen beperkingen op energetisch gebied zijn aangegeven. De rechtbank wees er voorts op dat de suikerziekte van betrokkene volgens de anamnese in het rapport van Kanhai van 11 september 2003 niet goed gereguleerd was met bloedsuikerwaarden van ongeveer veertien, terwijl volgens het rapport van 7 februari 2002 wel sprake was van een goede regulering. Volgens de rechtbank ontbeerde het bestreden besluit om deze redenen een deugdelijke motivering.

Appellant heeft in hoger beroep – onder verwijzing naar het rapport van Kokenberg van 26 april 2004 – aangevoerd dat op 7 februari 2002 in de FML, ondanks de goede regulering toen van de suikerziekte, wel beperkingen van energetische aard zijn opgenomen, zoals ten aanzien van zware lasten hanteren, lopen en lopen tijdens het werk, en dat bloedsuikerwaarden van rond de 14 in september 2003, hoewel aan de hoge kant, geen aanleiding geven tot het stellen van zwaardere beperkingen dan aangegeven in de FML. Voorts betoogde appellant dat er van een ontregeling van de diabetes mellitus op of rond de datum in geding niet is gebleken.

In het verweerschrift heeft de gemachtigde van betrokkene gewezen op de toename van klachten als gevolg van de hogere bloedsuikerwaarden.

De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat in de FML reeds energetische beperkingen in verband met de suikerziekte zijn opgenomen. Gezien de door appellant vermelde voorbeelden kan daarover naar zijn oordeel geen twijfel bestaan. De Raad onderschrijft eveneens appellants betoog dat een verhoging van de bloedsuikerwaarde in dit geval niet tot meer beperkingen leidt dan die reeds in de FML waren neergelegd. Wat betreft de regulering van de suikerziekte van betrokkene stelt de Raad voorts vast, dat, ook al waren de bloedsuikerwaarden van betrokkene volgens zijn mededeling op

11 september 2003 aan Kanhai rond de veertien, de gemiddelde bloedsuikerwaarden (aangeduid met de letters HbAlc) blijkens het zich in het dossier bevindende journaal van de huisarts in elk geval op 8 april 2003 onderscheidenlijk 8 juli 2003 en

2 september 2003 8.4, respectievelijk 9.7 en 9.5 bedroegen. Weliswaar bevat dit journaal geen vermelding van de bloedsuikerwaarden in maart 2003, maar de aangehaalde waarden uit het journaal van de huisarts maken het naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat de bloedsuikerwaarde van betrokkene op 21 maart 2003 dezelfde waarde had als de door betrokkene aan Kanhai op 11 september 2003 meegedeelde, maar in het journaal van de huisarts overigens niet gedocumenteerde waarde. Voorts blijkt uit het meergenoemde journaal ook niet van een vastlegging door de huisarts rond

21 maart 2003 van een specifieke melding van (een toename van) klachten van betrokkene vanwege de suikerziekte. Gelet op een en ander acht de Raad het onaannemelijk dat op 21 maart 2003 een voor de toepassing van artikel 39a van de WAO relevante toename van de klachten van betrokkene in verband met zijn suikerziekte sprake was.

Gelet op al het vorenstaande slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL