Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
07-570 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen niet om niet worden verstrekt?

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 35
Wet werk en bijstand 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/125
JWWB 2008, 105
RSV 2008, 130

Uitspraak

07/570 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 januari 2007, 06/4234 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Voor appellante is verschenen mr. Van der Linden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. E.M. Vrijsen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In verband met haar, wegens medische redenen door het College noodzakelijk geachte, verhuizing heeft appellante op 6 maart 2006 bij het College een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten. Bij deze aanvraag heeft appellante een overzicht gevoegd van de te maken kosten ter hoogte van € 3.079,85.

Naar aanleiding hiervan is tijdens een gesprek met appellante aangegeven dat ze in aanmerking komt voor bijzondere bijstand om niet voor verhuis- en opknapkosten ter hoogte van € 700,-- en dat ze voor de overige kosten een lening kan afsluiten.

Vervolgens heeft appellante via e-mail aangegeven dat zij heeft besloten van een lening af te zien, omdat ze niet over de financiële middelen beschikt om hierop af te lossen. Tevens heeft appellante verzocht haar de beschikking toe te sturen waarin de toekenning voor de verhuiskosten en de afwijzing voor de kosten van de inboedel expliciet staan vermeld.

Bij besluit van 6 april 2006 is aan appellante bijzondere bijstand om niet voor opknap- en verhuiskosten toegekend ter hoogte van € 700,--. Ten aanzien van de overige kosten heeft het College overwogen dat appellante heeft meegedeeld af te zien van de aanvraag voor wat betreft de verstrekking van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een lening.

Bij besluit van 19 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

6 april 2006 ongegrond verklaard. Hierbij is aangegeven dat de gevraagde bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen niet om niet kan worden verstrekt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

19 september 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen om niet dient te worden verstrekt. Verder is ze van mening dat ze in ieder geval in aanmerking dient te komen voor de “Bijdrage duurzame gebruiksgoederen” op grond waarvan in de gemeente Eindhoven aan personen van 65 jaar en ouder éénmaal per drie jaar een bijdrage tot maximaal € 454,-- voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen kan worden verstrekt, omdat ze in dezelfde omstandigheden verkeert als personen van 65 jaar en ouder.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Artikel 48, eerste lid, van de WWB schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van de WWB geeft regels omtrent afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.

De Raad is van oordeel dat uit het systeem van de WWB voortvloeit dat de vraag in welke vorm bijstand moet worden verleend pas aan de orde komt nadat het betrokken bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de belanghebbende of het belanghebbende gezin recht heeft op bijstand. Met betrekking tot de onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen betekent het voorgaande dat het College eerst dient te beoordelen of appellante voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de WWB genoemde voorwaarden om voor bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen in aanmerking te komen. In dat verband dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen. Vervolgens dient het College toepassing te geven aan artikel 51 van de WWB en te beoordelen of de bijzondere bijstand voor de kosten van de noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

De Raad stelt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het College ten aanzien van de onderhavige aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen niet eerst heeft beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB, maar, het antwoord op die vraag in het midden latend, uitsluitend heeft beoordeeld in welke vorm bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend. Daardoor is niet komen vast te staan of, en zo ja in hoeverre de kosten waarvoor bijstand werd gevraagd zich voordeden.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 19 september 2006 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 19 september 2006 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Met het oog daarop overweegt de Raad dat onderhavige aanvraag een aanvraag om individuele bijzondere bijstand betreft zodat het gedane beroep op de categoriale regeling “Bijdrage duurzame gebruiksgoederen” bij de beoordeling van deze aanvraag buiten beschouwing dient te worden gelaten.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 september 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ190208