Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
07-530 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een aanvullende (lening in de vorm van een aanvullende) beurs zonder rekening te houden met het inkomen van de vader van betrokkene (de zogenoemde ont- of loskoppeling).

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.14
Besluit studiefinanciering 2000
Besluit studiefinanciering 2000 6
Besluit studiefinanciering 2000 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/530 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 december 2006, 06/1407 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. R.N.T.J. Adriaans hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2008. Appellante was in persoon aanwezig en werd bijgestaan door mr. Adriaans. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 8 mei 2006 waarbij de IB-Groep ongegrond heeft verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van de IB-Groep van

7 maart 2006. Bij dat primaire besluit is afgewezen de door appellante in december 2005 ingediende aanvraag om toekenning van een aanvullende (lening in de vorm van een aanvullende) beurs zonder rekening te houden met het inkomen van haar vader (de zogenoemde ont- of loskoppeling).

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij zich kan verenigen met het standpunt van de IB-Groep dat niet kan worden gesproken van een ernstig en structureel conflict tussen appellante en haar vader als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000).

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat:

- de vader van appellante tot omstreeks augustus 2005 wel contact met haar heeft gehad en dat hij tot dan - wellicht met horten en stoten - ook aan zijn betalingsverplichtingen jegens appellante heeft voldaan,

- uit het e-mailbericht van de vader van 19 augustus 2005 en hetgeen appellante daarover ter zitting heeft verklaard, blijkt dat de vader vanwege de houding van appellante - met name ten opzichte van zijn nieuwe relatie - is gestopt met zijn betalingen aan appellante, maar dat hij (waarschijnlijk) weer zal betalen indien appellante deze houding verandert, en

- niet tot een ander oordeel leidt dat, zoals appellante heeft gesteld, haar vader jegens haar in relationele zin tekort zou zijn geschoten en dat zij inmiddels, per

- 19 augustus 2005, zelf heeft besloten geen contact meer met haar vader te willen hebben.

In hoger beroep heeft appellante uitgebreid betoogd - met name door een overzicht te geven van de omstandigheden waarin zij feitelijk en gevoelsmatig heeft verkeerd vanaf het moment waarop haar ouders op haar zevende levensjaar uit elkaar zijn gegaan en vervolgens van echt zijn gescheiden tot het moment waarop zij op haar zeventiende levensjaar door haar vader definitief in de steek is gelaten en voor het laatst bij hem op bezoek is geweest - dat er ten tijde in geding wel degelijk sprake was (en sedertdien is gebleven) van een ernstig en structureel conflict tussen haar en haar vader als hiervoor bedoeld, zodat zijn inkomen buiten beschouwing had moeten worden gelaten.

De IB-Groep is blijven staan op het standpunt dat niet is voldaan aan de zogenoemde conflict-eis; veeleer is er sprake van het ontbreken van een relatie tussen appellante en haar vader als gevolg van de scheiding van haar ouders en het feit dat haar vader een nieuwe partner heeft.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 3.14, eerste lid, van de per 1 september 2000 ook wat dit artikel betreft in werking getreden WSF 2000 is bepaald dat op aanvraag van een studerende de aan hem toegekende aanvullende lening kan worden verstrekt in de vorm van een aanvullende beurs, indien er sprake is van een langdurig ernstig verstoorde verhouding tussen ouder en studerende (of van onvindbaarheid van de ouder). Daarbij is vermeld dat onder een langdurig ernstig verstoorde verhouding in ieder geval niet wordt begrepen een conflict van financiële aard dat verband houdt met de studie.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het eveneens per 1 september 2000 in werking getreden BSF 2000 (een algemene maatregel van bestuur waarbij criteria zijn gegeven ter beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.14 van de WSF 2000) bestaat in ieder geval aanspraak op een aanvullende beurs, indien (a) sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende.

Ingevolge artikel 7 van het BSF 2000 is van zo’n conflict sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken, en dient de ernst van een conflict te worden aangetoond aan de hand van een door een ter zake deskundige afgegeven verklaring.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WSF 2000 doet het probleem van de weigerachtige ouders zich voor sinds het bestaan van de in 1986 ingevoerde Wet op de studiefinanciering, de voorloper van de WSF 2000, en heeft de IB-Groep destijds op basis van de hardheidsclausule in beleidsregels neergelegd beleid ontwikkeld waaraan de aanvragen om loskoppeling werden getoetst. Vanwege het structurele karakter van het probleem en de omvang ervan is toen een wettelijke basis wenselijk geacht waarbij het bestaande, onder invloed van de uitspraken van het College van beroep studiefinanciering uitgekristalliseerde beleid in een algemene maatregel van bestuur werd vastgelegd. Daarbij is het (op de website van de IB-Groep nu nog voorkomende) woord “onverzoenlijk” bij conflict vervangen door “structureel”; daarmee is niet beoogd een inhoudelijke wijziging aan te brengen, maar geprobeerd tot uitdrukking te brengen dat onverzoenlijkheid te veel weg heeft van onverbiddelijkheid, welke immers eerst kan worden vastgesteld nadat de betrokken studerende of de weigerachtige ouder zal zijn weggevallen.

Blijkens de Nota van Toelichting bij het BSF 2000 valt wat de aan de hand van een door een ter zake deskundige afgegeven verklaring aan te tonen ernst van het conflict betreft te denken aan een zodanig fundamentele en structurele verstoring van de relatie tussen ouder en kind dat ontkoppeling de enige weg is, zoals in gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld. Ook kan het - zo is daarin voorts vermeld - gaan om structurele conflicten rond levensovertuiging, geloof en cultuur, waarbij zich niet met elkaar verdragende levensstijlen in het geding zijn.

Ter zitting is namens de IB-Groep desgevraagd verklaard dat aanvragen om loskoppeling rechtstreeks worden getoetst aan de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen met de toelichting daarop, dat ter (verdere) invulling van die bepalingen geen wetsinterpreterend beleid wordt gevoerd, dat ook anderszins geen ongepubliceerde interne richtlijnen worden gehanteerd in een poging te komen tot beslissingen die in elkaars verlengde liggen alsook de grenzen van dit wettelijke kader niet te buiten gaan en dat in het geheel van de sedert de invoering van de WSF 2000 genomen beslissingen - achteraf bezien - geen aanleiding is gevonden om te concluderen dat er blijkbaar sprake is van enig beleid.

Sedert de inwerkingtreding van de WSF 2000 zijn aan de Raad slechts enkele gevallen voorgelegd waarin de IB-Groep heeft geweigerd om los te koppelen, zodat ook daaraan geen richting kan worden ontleend.

Dit betekent dat op een aanvraag om loskoppeling aan de hand van de in de WSF 2000, het BSF 2000 en de toelichtingen daarop van geval tot geval en op basis van de in het desbetreffende geval voorliggende concrete feiten en omstandigheden zal (moeten) worden beslist.

Appellante heeft bij haar aanvraag een toelichting gegeven en diverse stukken overgelegd, waaronder een verklaring van haar moeder d.d. 26 oktober 2005, een verklaring van de aan de Wageningen Universiteit verbonden studentenpsycholoog B.O.M. Riksen d.d. 12 december 2005 en e-mails van haar vader d.d. 1 augustus 2005 en d.d. 19 augustus 2005. In bezwaar heeft mr. Adriaans nog een nadere toelichting gegeven.

Afgaande op hetgeen appellante onbetwist heeft aangevoerd, kan bezwaarlijk worden ontkend dat er sprake is van een (aanwijsbaar) conflict tussen appellante en haar vader en dat het daarbij in beduidende mate gaat om meer dan een conflict van “slechts” financiële aard in verband met haar studie. Dat conflict dateert niet van kort vóórdat appellante haar aanvraag om loskoppeling heeft ingediend, maar heeft zich gaandeweg tussen het twaalfde en zeventiende levensjaar van appellante steeds verder ontwikkeld en heeft ertoe geleid dat er nog slechts zéér sporadisch contact tussen appellante en haar vader heeft plaatsgevonden. Op goede gronden kan dan ook worden staande gehouden dat er ten tijde in geding sprake was (en sedertdien nog is) van een langdurig conflict.

Gelet op de door appellante gegeven, met name door haar moeder en studentenpsycholoog als ter zake deskundige onderschreven uitgebreide beschrijving van de haar in de loop der jaren met haar vader (en diens partner) opgedane negatieve ervaringen, is de Raad van oordeel dat de IB-Groep bij het in acht nemen van alle te dezen relevante factoren niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de conclusie dat het hier niet gaat om een ernstig en structureel conflict als in artikel 3.14 van de WSF 2000 bedoeld en in de artikelen 6 en 7 van het BSF 2000 uitgewerkt.

De Raad heeft in zijn oordeelsvorming vooral betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de vader in vergaande mate geestelijke druk op appellante heeft uitgeoefend in een poging te komen tot een meer genormaliseerde verhouding tussen appellante en hem, door van haar te verlangen dat zij zich volledig schikt naar zijn partner door wie hij zich laat domineren, tegenover wie hij het voor appellante niet opneemt en tegen wie hij appellante niet - althans voor appellante op dat moment of achteraf niet kenbaar - in bescherming neemt. Datzelfde geldt ook voor de verstoorde verhouding tussen de vader en het circa twee jaar jongere broertje van appellante, evenzeer een kind uit zijn huwelijk met de moeder van appellante, die bij appellante mede een rol heeft gespeeld. Daarbij heeft de vader het verlenen van geldelijke steun aan de studie van appellante als pressie- of lokmiddel niet geschuwd, wat door appellante als een vorm van chantage is ervaren.

Dat aan het conflict niet een vergaand verschil in levensovertuiging, geloof en/of cultuur ten grondslag ligt, kan daaraan niet afdoen, omdat de op dat vlak bestaande verschillen in de Nota van Toelichting bij het BSF 2000 zijn genoemd als niet meer dan mogelijkheden - naast andere - om te komen tot de conclusie dat er sprake is van een structureel conflict.

Ter zitting is er vanwege de IB-Groep nog op gewezen dat de door appellante bij haar aanvraag overgelegde verklaring van de studentenpsycholoog niet is gebaseerd op eigen onderzoek en/of eigen ervaringen van die psycholoog, zodat die verklaring de nodige objectivering ontbeert.

Op die verklaring is - gelet op de Nota van Toelichting bij het BSF 2000 waarin is vermeld dat deze voldoende moet zijn onderbouwd - in dat opzicht inderdaad wel wat af te dingen, maar daartegenover staat dat de IB-Groep op die verklaring in de bezwaarfase noch in de beroepsfase enige kritiek heeft geuit. Zou de IB-Groep die kritiek in een eerder stadium naar voren hebben gebracht, dan zou appellante in de gelegenheid zijn geweest om in ieder geval te proberen daaraan tegemoet te komen. Die kritiek eerst ter zitting van de Raad moet dan ook als tardief worden aangemerkt. Aanleiding tot heropening van het onderzoek om alsnog een verklaring van een door appellante, de IB-Groep of de Raad in te schakelen deskundige ter tafel te krijgen, ziet de Raad bijgevolg niet.

Daarbij tekent de Raad nog wel aan dat in de evenvermelde Nota van Toelichting ook is opgenomen dat bij een verklaring van een ter zake deskundige valt te denken aan onder meer een school- of studentendecaan, zodat de vraag rijst hoever de aan onderbouwing te stellen eisen redelijkerwijs kunnen strekken. Voorts is in die Nota vermeld dat van een aanvrager redelijkerwijs niet zal kunnen worden verlangd dat hij een door de IB-Groep gewenste verklaring produceert als dat relatief veel niet te verhalen kosten met zich brengt; het is dan ook niet de bedoeling dat studerenden afzien van een aanvraag om loskoppeling vanwege de kosten. Tevens is daarin vermeld dat het onder omstandigheden dan ook aan de IB-Groep is om een onafhankelijke deskundige in te schakelen, vooral als wordt betwijfeld of er sprake is van een ernstig en structureel conflict.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Bepaalt voorts dat de Informatie Beheer Groep aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL