Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
06-5788 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Woonadres. Een goede procesorde brengt met zich dat de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 110

Uitspraak

06/5788 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 augustus 2006, 05/2225 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

1. het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland, gevestigd te Gulpen (hierna: Algemeen Bestuur);

en

2. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Namens het openbaar lichaam Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (hierna: openbaar lichaam Pentasz) is een verweerschrift ingediend. Voorts is een besluit van het College aan de Raad gezonden. De Raad heeft het College in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. F.Y. Gans, kantoorgenoot van mr. Libotte. Het Algemeen Bestuur en het College hebben zich laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijsens, werkzaam bij het openbaar lichaam Pentasz.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden

Appellant ontving vanaf 17 september 2002 een bijstandsuitkering, laatstelijk

ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft zich op 10 februari 2004 in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Meerssen ingeschreven op het adres [adres].

Uit een rapport van de sociale recherche van 7 januari 2005 blijkt dat onderzoek is ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, waarbij met name is nagegaan of appellant daadwerkelijk woonde op het hierboven genoemde adres. In dat kader zijn appellant en de verhuurster van de door appellant gehuurde woonruimte gehoord. Op basis van de onderzoeksbevindingen is geconcludeerd dat appellant vanaf

10 mei 2004 niet meer woonde op het bij het openbaar lichaam Pentasz bekende adres.

Bij besluit van 28 februari 2005 heeft het Algemeen Bestuur de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2004 beëindigd, de bijstand over de periode van 10 mei 2004 tot en met 30 september 2004 ingetrokken, en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 4.082,93.

Namens appellant is tegen dat besluit bezwaar gemaakt, waarop door een juridisch medewerker van het openbaar lichaam Pentasz een verweerschrift is opgesteld. Vervolgens heeft de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften (hierna: adviescommissie) een hoorzitting gehouden en op 19 december 2005 aan het Algemeen Bestuur advies uitgebracht. Bij besluit van 22 december 2005 heeft het Algemeen Bestuur, onder vergoeding aan appellant van de kosten van rechtsbijstand, het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat het teruggevorderde bedrag wordt verminderd met een bedrag van € 305,--. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonadres, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand over de periode vanaf 10 mei 2004 niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt allereerst ambtshalve het volgende.

De aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door een lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Het beroep van appellant is echter op een zitting behandeld door een andere rechter, eveneens lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Zoals de Raad eerder al heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2007, LJN BB6659), brengt, gelet op de artikelen 8:69, eerste lid, 8:77, eerste lid, onder d, en 8:77, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in hun onderlinge samenhang bezien, een goede procesorde met zich dat de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Dit lijdt uitzondering indien partijen, nadat de zaak op een zitting is behandeld, eerst zijn geïnformeerd over het feit dat de beslissing door een opvolgende rechter zal worden genomen en vervolgens toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere behandeling van de zaak ter zitting. Ter zitting van de Raad is gebleken dat partijen er niet van in kennis zijn gesteld dat de uitspraak door een opvolgende rechter zou worden gegeven. Nu het hiervoor bedoelde uitzonderingsgeval zich derhalve niet voordoet, is de aangevallen uitspraak in strijd met het beginsel van goede procesorde tot stand gekomen. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Eveneens ambtshalve overweegt de Raad verder het volgende. Ten tijde van het nemen van de in geding zijnde besluiten was van kracht de Gemeenschappelijke Regeling van de Regionale Sociale Dienst Mergelland van de gemeenten Eijsden, Gulpen-Wittem, Margraten, Meerssen en Vaals (hierna: gemeenschappelijke regeling). De gemeenschappelijke regeling is met ingang van 1 januari 2004 aangegaan door de raden van deze gemeenten.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 september 2007, LJN BB3987, bij welke zaak eveneens het Algemeen Bestuur was betrokken, komt de Raad ook in het onderhavige geding tot de conclusie dat de bevoegdheden van de colleges van burgemeester en wethouders tot intrekking en terugvordering van bijstand als bedoeld in de artikelen 54 en 58 van de WWB ten tijde van belang nog niet waren neergelegd bij het desbetreffende bestuursorgaan van het openbaar lichaam Pentasz, aangezien de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten toen nog niet hadden besloten aan de gemeenschappelijke regeling deel te nemen. Op 28 februari 2005 en op 22 december 2005 was het College derhalve nog bevoegd tot uitoefening van de zojuist genoemde bevoegdheden. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 22 december 2005 is dan ook onbevoegdelijk genomen. Dat de betrokken colleges van burgemeester en wethouders nadien alsnog hebben besloten (met terugwerkende kracht) aan de gemeenschappelijke regeling deel te nemen, acht de Raad onvoldoende voor het oordeel dat dit bevoegdheidsgebrek is geheeld. In dit verband wijst de Raad tevens naar zijn uitspraak van 13 november 2007, LJN BB7724. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen.

Het College heeft - en in zoverre is sprake van een andere situatie dan aan de orde in het geschil dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak van 18 september 2007 - in zijn vergadering van 8 januari 2008 besloten:

“-alle reeds aangevoerde en nog aan te voeren verweren en aanvullingen ten aanzien van het primaire besluit van 28 februari 2005 en de beslissing op bezwaar van 22 december 2005, inclusief het eventueel daaraan ten grondslag liggende beleid, integraal voor uw (lees: zijn) rekening te nemen;

-mevrouw M.T.P.P. Gijsens…….. te machtigen uw (lees: het) college te vertegenwoordigen ter zitting van de CRvB op 22 januari 2008 in de zaak met procedurenummer 06/5788 betreffende de heer [appellant].”

Mede gelet op de ter zitting door de vertegenwoordigster van het College gegeven toelichting op het hiervoor aangehaalde besluit, begrijpt de Raad dit besluit aldus dat het College het besluit van 22 december 2005, waarbij het besluit van 28 februari 2005 onder wijziging van het bedrag van de terugvordering is gehandhaafd, geheel voor zijn rekening neemt.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 december 2007, LJN BC0874, waarin een vrijwel gelijke situatie aan de orde was, zal de Raad - mede met het oog op een definitieve beslechting van het geschil - ook in het onderhavige geval bezien of een inhoudelijke beoordeling van de zaak aanleiding vormt de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de procedurele gang van zaken in de bezwaarfase niet juist acht, omdat in die fase van de kant van het bestuursorgaan een uitvoerig verweerschrift is opgesteld, dat vervolgens zo goed als geheel is overgenomen in het besluit op bezwaar. De Raad acht deze gang van zaken niet in strijd met de bepalingen van afdeling 7:2 van de Awb. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat dit verweerschrift wordt opgesteld met het oog op de mondelinge behandeling van het bezwaar door de (onafhankelijke) adviescommissie, dat het verweerschrift vooraf aan de advocaat van appellant is toegezonden en dat daarop voorafgaand aan en/of tijdens de hoorzitting kon worden gereageerd. Daarbij tekent de Raad nog aan dat het opstellen van een schriftelijk verweer niet wezenlijk verschilt van een mondelinge toelichting van het standpunt tijdens de hoorzitting. Nu de inhoud van het verweerschrift voorafgaand aan de hoorzitting bij appellant bekend was, kan in ieder geval niet gezegd worden dat zijn processuele positie daardoor is verslechterd. Verder staat vast dat de bezwarencommissie na de hoorzitting, waarbij dus hoor en wederhoor is toegepast, aan het Algemeen Bestuur advies heeft uitgebracht. Deze grief van appellant treft dan ook geen doel.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient een beëindiging van de bijstand met terugwerkende kracht te worden beschouwd als een intrekking. De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt in een dergelijk geval tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent voor dit geval - waarin een beëindiging van de bijstand met ingang van 1 oktober 2004 bij besluit van 28 februari 2005 aan de orde is, en tevens sprake is van intrekking van de bijstand over de periode van 10 mei 2004 tot en met 30 september 2004 - dat de te beoordelen periode waarover de bijstand is ingetrokken loopt van 10 mei 2004 tot en met 28 februari 2005.

Voor de beoordeling van het recht op bijstand is de woonplaats van de belanghebbende een essentieel gegeven. De belanghebbende dient daarover dan ook volledige en juiste inlichtingen te verstrekken aan het betrokken bestuursorgaan. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksgegevens een toereikende grondslag voor het standpunt dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonadres. Appellant heeft aan de regionale sociale dienst niet anders meegedeeld dan dat hij woonde op het eerdergenoemde adres. Uit het proces-verbaal van zijn verhoor op 13 oktober 2004 moet worden opgemaakt dat hij op dat adres te rekenen vanaf 10 februari 2004 slechts drie maanden heeft gewoond. Appellant heeft aan de sociale recherche verder meegedeeld dat hij heeft gezworven en dat hij bij anderen heeft verbleven, maar hij heeft niet willen vertellen bij wie dat is geweest. De verhuurster heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant de bij haar gehuurde kamer daadwerkelijk drie maanden heeft gebruikt en dat hij vervolgens is vetrokken naar een plaats ergens in de buurt van Kerkrade. De verklaring van appellant en van zijn toenmalige verhuurster zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. De verklaringen zijn door de betrokkenen ondertekend. Gelet daarop, gaat de Raad uit van de juistheid van de in het proces-verbaal neergelegde verklaringen.

Uit het voorgaande volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de ingevolge achtereenvolgens artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Na de datum van zijn verhoor heeft appellant evenmin opheldering gegeven over zijn woonsituatie tijdens de in geding zijnde periode. Als gevolg daarvan kan het recht van appellant over de in geding zijnde periode niet worden vastgesteld. De schending van de inlichtingenverlichting heeft dus met zich gebracht dat aan appellant over die periode ten onrechte bijstand is verleend.

Anders dan appellant heeft betoogd, was het betrokken bestuursorgaan niet gehouden ambtshalve te onderzoeken of appellant wellicht als adresloze in aanmerking had kunnen worden gebracht voor verlening van bijstand.

Het voorgaande betekent dat het College bevoegd was de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 10 mei 2004 in te trekken. Het besluit van 22 december 2005 is genomen in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten worden afgeweken.

Het voorgaande brengt tevens mee dat het College bevoegd was om de over de periode van 14 mei 2004 tot en met 30 september 2004 betaalde kosten van bijzondere bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellant terug te vorderen. Het besluit van 22 december 2005 is genomen in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het beleid had moeten worden afgeweken.

De Raad komt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van

22 december 2005 in stand kunnen worden gelaten.

Gelet op de uitkomst van het hoger beroep, is er geen grond voor inwilliging van het verzoek van appellant om veroordeling van het Algemeen Bestuur tot schadevergoeding.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het Algemeen Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het Algemeen Bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.288,--, te betalen door het openbaar lichaam Pentasz;

Bepaalt dat het openbaar lichaam Pentasz het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H.M. Roelofs en

H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Zijmers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Zijmers.

IJ210208