Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
07-199 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering woningaanpassing. Betrokkene is niet verhuisd naar de voor haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning en het College heeft haar voorafgaand aan deze verhuizing bovendien geen schriftelijke toestemming verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/199 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 november 2006, 06/1101 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College),

Datum uitspraak: 27 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 6 februari 2008, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is wegens de uit haar handicap voortvloeiende belemmeringen in februari 2005 verhuisd van een woning in Roermond aan [adres 1] naar een geheel gelijkvloerse en aangepaste woning aan [adres 2] in Horn. Het gemeentebestuur van Roermond heeft haar voor die verhuizing op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) bij besluit van 25 februari 2005 een verhuiskostenvergoeding toegekend. Appellante voelde zich echter geïsoleerd in haar woning in Horn en wilde terug naar haar vertrouwde omgeving in Roermond. Ze is gaan zoeken naar een woning in Roermond en uiteindelijk is de keuze gevallen op de - niet gelijkvloerse - woning aan de [adres 3] in Roermond. Op 1 januari 2006 is appellante naar deze woning aan de [adres 3] in Roermond verhuisd.

Appellante heeft op 22 februari 2006 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg - voorzover hier van belang - een voorziening aangevraagd in de vorm van een woningaanpassing voor haar woning aan de [adres 3] in Roermond.

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 maart 2006 ongegrond verklaard. Hieraan ligt - voorzover hier van belang - het standpunt ten grondslag dat de gevraagde voorziening terecht is afgewezen nu appellante vanuit een voor haar geschikte woning in Horn naar een niet aan haar beperkingen aangepaste woning in Roermond is verhuisd en haar daarvoor tevoren geen toestemming is verleend door het College.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 mei 2006 ongegrond verklaard.

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Kort samengevat is hiertoe aangevoerd dat het voor appellante essentieel was spoedig te verhuizen naar Roermond, aangezien appellante in Horn in een sociaal isolement geraakte en onder meer aangewezen is op mantelzorg in Roermond. Bovendien was het voor haar problematisch om vanuit haar woning in Horn vervoer naar Roermond te regelen. Bij brief van 2 april 2007 is namens appellante tevens een brief van de radioloog

dr. H.A.J.M. van Heesch overgelegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de WVG daartoe bij verordening regels vaststelt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wvg is een woonvoorziening een voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande, dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de voorziening is gericht op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen.

In de gemeente Roermond is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening voorzieningen gehandicapten 2001 (hierna Vvg).

Ingevolge artikel 2.5 van de Vvg wordt de aanvraag voor een woonvoorziening geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van deze voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de gehandicapte niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is verleend door B&W.

De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat appellante niet vanwege ergonomische beperkingen, ondervonden in de woning in Horn, is verhuisd naar de woning in Roermond. Gelet op de gedingstukken onderschrijft de Raad tevens het oordeel van de rechtbank dat ook overigens niet is gebleken van een belangrijke reden als bedoeld in artikel 2.5 van de Vvg. In dit verband acht de Raad - onder meer - niet aangetoond dat het verblijf in de woning in Horn zou leiden tot een sociaal isolement, waarbij hij in aanmerking heeft genomen dat de zoon van appellante bij haar inwoonde en dat de familie appellante ook kon bezoeken.

De Raad stelt voorts vast dat appellante vanuit haar woning in Horn niet is verhuisd naar de voor haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning en dat het College appellante voorafgaand aan deze verhuizing bovendien geen schriftelijke toestemming heeft verleend.

De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het op de weg van appellante had gelegen om zich voorafgaande aan de verhuizing van haar woning in Horn naar haar woning in Roermond te verstaan met de gemeente Roermond met betrekking tot de aldaar gevolgde gedragslijn bij de uitvoering van de Wvg. Dat zij dat voorafgaande aan de verhuizing, in januari 2006, niet heeft gedaan komt voor haar rekening en risico.

De namens appellante overgelegde brief van de radioloog Van Heesch kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in deze brief enkel is aangegeven welke lichamelijke beperkingen appellante ondervindt. Uit de brief blijkt niet dat appellante van haar woning in Horn is verhuisd naar de voor haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ‘t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

IJ250208