Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
06-1085 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde beperkingen. Juistheid van het vastgestelde dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1085 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 januari 2006, 05/386

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Dennekamp hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen derhalve voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een tweetal besluiten, het eerste van

13 september 2004 en het tweede van 14 september 2004. Bij het eerste besluit heeft het Uwv de aan appellant krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25 tot 35%, met ingang van 12 april 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 80 tot 100% en is het dagloon van appellant vastgesteld op € 114,19. Bij het tweede besluit heeft het Uwv meegedeeld dat appellant vanaf 12 april 2004 over een periode van een half jaar alsnog recht heeft op een loondervingsuitkering waarvan het dagloon is afgeleid van het loon dat appellant verdiende toen hij arbeidsongeschikt werd.

Bij besluit van 8 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 13 en 14 september 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, herhaald en gesteld dat het Uwv ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 39a van de WAO neergelegde verkorte wachttijd van vier weken, alsmede dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan en het dagloon onjuist heeft vastgesteld.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde bezwaren geen doel treffen en hij stelt zich daarbij achter de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Hij overweegt daarnaast nog het volgende.

Appellant stelt dat uit het feit dat bij het besluit van 13 september 2004 zijn WAO-uitkering is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% voortvloeit dat is voldaan aan de in artikel 39a van de WAO neergelegde voorwaarde van een ‘toeneming van de arbeidsongeschiktheid’. Deze stelling treft evenwel geen doel. Uit de vaste jurisprudentie van de Raad - onder meer neergelegd in de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 3 april 2001, LJN AB1845, USZ 2001/149 - blijkt dat naar zijn oordeel artikel 39a van de WAO louter de situatie beoogt te regelen waarin de medische beperkingen waaraan een bestaande, naar een gedeeltelijke mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering wordt ontleend, zijn toegenomen, terwijl als gevolg daarvan ook sprake is van een relevante toename van de arbeidsbeperkingen. Daarvan is in het geval van appellant naar het oordeel van de Raad geen sprake, gelet op de bevindingen en de conclusie neergelegd in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 26 september 2003 waarin het standpunt is ingenomen dat er ten aanzien van appellant geen sprake was van een toename van de medische beperkingen en dat de belastbaarheid van appellant, vergeleken met eerdere beoordelingen, niet was afgenomen. De herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 25 tot 35% naar 80 tot 100% is, naar blijkt uit de arbeidskundige rapportage van het Uwv van

24 november 2003, slechts op arbeidskundige overwegingen gebaseerd omdat voor appellant op dat moment geen passende functies waren te duiden.

Wat het door het Uwv vastgestelde en door appellant ter discussie gestelde maatmaninkomen en dagloon betreft, ziet ook de Raad, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, in hetgeen terzake door appellant naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat het op de datum in geding van toepassing zijnde maatmaninkomen onjuist is berekend, noch dat het dagloon onjuist is vastgesteld. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voorts genoegzaam aannemelijk gemaakt dat toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO niet tot een hoger dagloon leidt dan het bij het bestreden besluit gehandhaafde dagloon van € 114,19.

Het hoger beroep treft geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) S. Sweep.

GdJ