Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
07-2144 WW + 07-2145 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Geen sprake van een situatie waarin een forfetaire vergoeding in geen enkele verhouding staat tot de door de gemachtigde van appellante verrichte werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 191
ABkort 2008/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2144 WW

07/2145 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2007, 03/5571 en 06/4293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister).

Datum uitspraak: 27 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. de Bruijn, werkzaam bij Van Kleef & Partners BV te Boskoop. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Namens de minister is verschenen, H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties BV.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de navolgende als vaststaand aangenomen feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brief van 1 juli 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen een viertal besluiten van het Uwv van 29 mei 2003 met betrekking tot de vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Bij brief van 24 november 2003 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschriften. Bij besluit van 17 december 2003 heeft het Uwv alsnog een besluit op bezwaar genomen, waarbij de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 29 mei 2003 ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 december 2003 en appellante uitgenodigd de gronden van het beroep aan te vullen, hetgeen zij bij brief van 24 februari 2004 heeft gedaan.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2006 heeft de minister appellantes recht op een uitkering ingevolge het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO) met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken op grond van het in het besluit van 17 december 2003 ingenomen standpunt over het recht op WW-uitkering in verband met de beëindiging van appellantes dienstverband bij het [naam van de school]. Bij brief van 6 juli 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De minister heeft dit bezwaar bij besluit van 24 juli 2006 ongegrond verklaard. Bij brief van 10 augustus 2006 heeft appellante beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit.

1.4. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 november 2006. Ter zitting heeft het Uwv de rechtbank verzocht om de behandeling van de beroepen aan te houden teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om het besluit van 17 december 2003 te heroverwegen.

1.5. Het Uwv heeft de rechtbank bij brief van 18 januari 2007 meegedeeld het in het besluit van 17 december 2003 neergelegde standpunt, dat de beëindiging van het dienstverband bij het [naam van de school] niet leidt tot een (nieuw) recht op WW-uitkering, niet langer te handhaven.

1.6. Bij schrijven van 23 februari 2007 heeft appellante de rechtbank meegedeeld dat er, gelet op de handelwijze van het Uwv en het stelselmatig afwijzen van gezamenlijk overleg, aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Appellante heeft daarbij verzocht om vergoeding van de door haar werkelijk gemaakte proceskosten, die op dat moment € 24.562,-- exclusief BTW bedroegen. Appellante heeft daaraan toegevoegd dat zij overigens nog overweegt om bij het Uwv een zelfstandig schadebesluit uit te lokken.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, het Uwv opgedragen om opnieuw op de bezwaren van 1 juli 2003 en 6 juli 2006 te beslissen, het Uwv veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante en bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 31,-- en € 38,-- vergoedt.

Met betrekking tot het verzoek om toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb heeft de rechtbank overwogen dat appellante in de brief van 23 februari 2007 heeft meegedeeld dat mogelijk bij het Uwv om een zelfstandig schadebesluit zal worden verzocht voor het bedrag van € 24.562,-- aan gemaakte proceskosten. Gelet op deze mededeling zag de rechtbank geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb en een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de forfaitaire bedragen genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Bpb in samenhang met de in dit artikellid genoemde bijlage. Vervolgens heeft de rechtbank de proceskosten vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor elk beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--; wegingsfactor 1). Voor zover appellante in de procedures heeft verzocht om vergoeding van kosten van rechtsbijstand die in de bezwaarfase zijn gemaakt, was de rechtbank van oordeel dat het Uwv daar in de nieuwe besluiten op bezwaar een beslissing over dient te nemen.

1.8. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het hoger beroep van appellante uitsluitend gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Appellante stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank toepassing had moeten geven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb, omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen om van de reguliere (forfaitaire) proceskostenvergoeding af te wijken. Appellante heeft de Raad verzocht om integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 26.572,-- exclusief BTW. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank artikel 2, eerste lid, van het Bpb en de daarbij behorende bijlage onjuist heeft toegepast en het Uwv tot een hogere forfaitaire vergoeding van proceskosten had moeten veroordelen.

2. De Raad overweegt het volgende.

3. In de aangevallen uitspraak is uitsluitend het Uwv als verweerder aangewezen. De Raad stelt vast dat ten tijde hier van belang het Uwv het BBWO jegens appellante uitvoerde namens de minister. De minister had derhalve eveneens als partij moeten worden vermeld. Aangezien partijen door deze onvolledige vermelding in de aangevallen uitspraak niet zijn benadeeld, volstaat de Raad met verbetering van de partijstelling.

4.1. De Awb en het Bpb kennen een forfaitair systeem van vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kosten van rechtsbijstand worden vergoed op basis van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb in samenhang met de bijlage bij dit besluit. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden van dit forfaitaire systeem worden afgeweken. Blijkens de Nota van Toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) gaat het om uitzonderlijke gevallen waarbij strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt. Daarom is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding

- overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen. Benadrukt wordt dat het werkelijk om uitzonderingen gaat en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van feitenmateriaal is gejaagd.

4.2. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Bpb omdat appellante in de brief van 23 februari 2007 de rechtbank zou hebben meegedeeld dat mogelijk bij het Uwv om een zelfstandig schadebesluit zal worden verzocht voor een bedrag van € 24.562,-- aan proceskosten. Deze overweging berust naar het oordeel van de Raad op een onjuiste lezing van appellantes brief van 23 februari 2007. Appellante heeft in die brief weliswaar meegedeeld dat zij overwoog om bij het Uwv een zelfstandig schadebesluit uit te lokken, maar niet dat het daarbij ging om het bedrag van € 24.562,-- aan proceskosten en evenmin dat zij haar verzoek om toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb niet handhaaft. De opmerking van appellante dat zij overwoog om bij het Uwv een zelfstandig schadebesluit uit te lokken staat volgens de Raad geheel los van het verzoek aan de rechtbank om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb het Uwv te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 24.562,-- exclusief BTW. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb berust op een onjuiste motivering.

4.3. De omstandigheden die appellante aanvoert kan de Raad niet als bijzondere omstandigheden aanmerken die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven nopen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat sprake was van een ingewikkelde uitkeringssituatie, waarbij het Uwv naar aanleiding van vragen van de rechtbank ter zitting tot het inzicht is gekomen dat sprake was van een foute beoordeling. Voorts kan de Raad er niet aan voorbijzien dat uit de door appellante overgelegde specificatie van gemaakte kosten van rechtsbijstand blijkt dat een aanzienlijk deel van de door haar geclaimde proceskosten betrekking heeft op andere kwesties dan de onderhavige procedure. Van een situatie waarin een forfaitaire vergoeding in geen enkele verhouding staat tot de door de gemachtigde van appellante verrichte werkzaamheden is geen sprake. Ofschoon de Raad zich kan voorstellen dat het voor appellante uitermate vervelend is dat het Uwv pas na zeer geruime tijd tot het bedoelde inzicht is gekomen, temeer omdat niet werd ingegaan op voorstellen van appellante om haar uitkeringssituatie te bespreken, ziet hij hierin onvoldoende aanleiding voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb. Appellantes primaire grief kan derhalve niet slagen.

4.4. Appellantes subsidiaire grief, inhoudende dat de rechtbank artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb onjuist heeft toegepast, slaagt wel. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de proceskosten vastgesteld op € 966,-- aan kosten van rechtsbijstand. Daarbij is voor elk beroepschrift 1 punt toegekend, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, is de waarde per punt bepaald op € 322,-- en is een wegingsfactor van 1 toegekend. De Raad kan de rechtbank niet volgen in deze berekening. De rechtbank heeft verzuimd om het beroepschrift van 24 november 2003, gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de besluiten van 29 mei 2003, bij de proceskosten-veroordeling te betrekken. Bovendien heeft de rechtbank de wegingsfactor van de zaken ten onrechte bepaald op 1. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank, gelet op de complexiteit van de zaak, een wegingsfactor van 1,5 moeten hanteren. Ten slotte moet de Raad vaststellen dat de rechtbank ten onrechte uitsluitend het Uwv en niet ook de minister heeft veroordeeld in de proceskosten.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten in hoger beroep, geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zelf het Uwv en de minister veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Het Uwv zal worden veroordeeld in de kosten van het beroepschrift van 24 november 2003, gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar (1 punt; waarde per punt € 322,--; wegingsfactor 0,25) en de helft van de overige kosten van rechtsbijstand (1 punt voor elk beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; waarde per punt € 322,--; wegingsfactor 1,5). Dit bedrag wordt begroot op € 805,--. De minister zal worden veroordeeld in de helft van overige kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 724,50. De Raad merkt daarbij op dat ter zitting is gebleken dat het Uwv, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, inmiddels een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen waarbij aan appellante de kosten van rechtsbijstand in bezwaar zijn vergoed en dat de gemachtigde van de minister heeft verklaard dat hij bij zijn nadere besluitvorming eveneens tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar zal overgaan.

6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv en de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, ieder voor de helft, te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- aan kosten voor rechtsbijstand en op € 15,58 aan reiskosten, totaal € 659,58.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten in hoger beroep;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.134,79 (€ 805,-- en de helft van € 659,58), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.054,29 (€ 724,50 en de helft van € 659,58), te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de helft van het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- derhalve € 53,-- aan haar vergoedt;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden de helft van het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- derhalve € 53,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW

112