Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
07-1248 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1248 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 januari 2007, 06/1865 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008. Appellante is verschenen met bijstand van mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse, als haar raadsvrouw. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster bij [de werkgever] (hierna: werkgever) in een dienstbetrekking met een omvang van 10 uur per week. Op 7 oktober 2003 heeft zij zich ziek gemeld. Met ingang van 16 februari 2004 is appellante door de Arboarts arbeidsgeschikt verklaard. Aangezien appellante zich niet tot werken in staat achtte heeft zij een second opinion aangevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Op 6 april 2004 heeft de in het kader van de second opinion geraadpleegde verzekeringsarts het standpunt van de Arboarts, dat appellante op 16 februari 2004 volledig arbeidsongeschikt is, onderschreven. Appellante heeft desondanks het eigen werk niet hervat. Op 7 juli 2004 heeft de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen de werkgever toestemming verleend de arbeidsverhouding met appellante op te zeggen, waarna de werkgever het dienstverband met appellante heeft beëindigd per 24 september 2004. In verband met vervolgens ontstane werkloosheid heeft appellante een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 3 december 2004 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 27 september 2004 blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Bij besluit van 30 maart 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van die bepaling alsmede aan artikel 27, eerste lid, van die wet. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat, indien de werknemer de verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval wordt de uitkering gedeeltelijk geweigerd over een periode van 26 weken door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 november 2005 het tegen het besluit van 30 maart 2005 ingestelde beroep van appellante gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank was van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen die door het Uwv in de bezwaarfase was geraadpleegd in zijn rapport expliciet had moeten motiveren waarom het bij appellante geconstateerde vitamine B12 tekort geen aanleiding vormde om op 16 februari 2004 tot arbeidsongeschiktheid te concluderen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2.2. Bij besluit van 31 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, nadat de bezwaarverzekeringsarts op 29 december 2005 weer had gerapporteerd, opnieuw ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts was tot de bevinding gekomen dat het bij appellante bestaande vitamine B12 tekort geen verklaring is voor haar klachten. Voor zover de klachten wel veroorzaakt werden door dit tekort staat geenszins vast dat appellante niet in staat zou zijn het eigen werk te verrichten. Er zijn immers bij lichamelijk onderzoek geen bewegingsbeperkingen of andere afwijkingen geconstateerd die dit aannemelijk maken. Bovendien werden de werkzaamheden voor slechts 10 uur per week verricht waardoor er geen aanleiding is om te veronderstellen dat appellante niet in staat zou zijn op medische gronden dit werk te verrichten. Het Uwv heeft naar aanleiding van dit rapport geconcludeerd dat, nu appellante het werk niet heeft hervat waardoor ze uiteindelijk werkloos is geworden, er sprake is van verwijtbare werkloosheid in genoemde zin.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij het standpunt van het Uwv, neergelegd in dat besluit, onderschreven. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Anders dan appellante stelt heeft op 6 april 2004 lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts plaatsgevonden. Daarnaast is informatie ingewonnen uit de behandelend sector. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 december 2005, thans voldoende is gemotiveerd waarom appellante geen beperkingen had waardoor zij ongeschikt zou zijn voor het eigen werk. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebrachte op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Uit een door appellante aangehaalde brief van de huisarts kan, anders dan appellante heeft gesteld, niet worden afgeleid dat de huisarts een verband ziet tussen de klachten van appellante en het vitamine B12 tekort. Van appellante kon redelijkerwijs gevergd worden dat zij na de hersteldverklaring met ingang van 16 februari 2004 weer aan het werk zou gaan. Door dit niet te doen heeft appellante zich naar het oordeel van de rechtbank jegens de werkgever verwijtbaar gedragen. Zij had redelijkerwijs kunnen weten dat dit gedrag tot haar ontslag zou leiden.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Anders dan appellante betoogt heeft de rechtbank in haar uitspraak van 23 november 2005 niet als vaststaand aangenomen dat er een verband bestaat tussen appellantes klachten en het tekort aan vitamine B12. Dit betekent dat ook naar het oordeel van de Raad in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts niet van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan.

4.2. Verder heeft appellante in hoger beroep vrijwel dezelfde gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen hetgeen de rechtbank ter verwerping van die gronden heeft overwogen. Desgevraagd heeft appellante ter zitting bevestigd dat in de voorhanden stukken van medische aard, waaronder stukken afkomstig van de behandelend sector, geen medisch oordeel is te vinden dat haar stelling bevestigt dat zij op 16 februari 2004 op medische gronden niet in staat was het eigen werk te verrichten. Een dergelijk standpunt is evenmin te vinden in de stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd.

4.3. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW

112