Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06-7423 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De toegekende beurs naar norm voor uitwonende omgezet in beurs naar norm voor thuiswonende studerende. Woonadres opgegeven bij IB-groep wijkt af van adres GBA. Verhuurder geeft geen toestemming. Afwijking verwijtbaar?

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7423 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 november 2006, 05/1221 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2008.

Appellant is niet verschenen.

De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant is voor zijn opleiding studiefinanciering toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

Bij schrijven gedagtekend 9 april 2005 is door de IB-Groep aan appellant bekendgemaakt dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat appellant doorgegeven heeft aan de IB-Groep ([adres 1]) in de maand maart 2005 afwijkt van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) staat ingeschreven ([adres 2]). Aangegeven is daarbij dat, indien appellant zijn (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat, indien het woonadres dat aan de IB-Groep is doorgegeven niet (meer) juist is, appellant dat ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Appellant is gewaarschuwd dat, indien hij de afwijking van het aan de IB-Groep opgegeven woonadres van het adres waarop hij in de GBA ingeschreven staat niet binnen vier weken ongedaan maakt, de IB-Groep de aan appellant toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van maart 2005 omzet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

In antwoord op dit schrijven heeft appellant bij brief van 6 mei 2005 aan de IB-Groep meegedeeld dat de verhuurder Stadswonen weigert mee te werken aan inschrijving in de GBA. In een nadere brief van 13 juni 2005 heeft hij zich beroepen op uitspraken van rechtbanken over deze materie en aangegeven dat hem redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van het verschil tussen de adressen.

De IB-Groep heeft bij besluit van 10 juni 2005 de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van maart 2005 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat het woonadres dat appellant aan de IB-Groep heeft opgegeven, afwijkt van het adres waarop appellant in de GBA ingeschreven staat en dat appellant heeft verzuimd deze afwijking ongedaan te laten maken.

Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aangegeven dat hij zijn uiterste best heeft gedaan de juiste gegevens bij de GBA op te geven. De IB-Groep heeft appellant verzocht een verklaring van de gemeente Rotterdam over te leggen waaruit blijkt dat appellants verzoek om inschrijving is afgewezen en waarom. Appellant heeft aan dit verzoek voldaan en het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam van 22 augustus 2005 overgelegd. Dat besluit houdt in dat appellant niet kan worden ingeschreven omdat hij de vereiste verhuurdersverklaring niet kan overleggen.

De IB-Groep heeft vervolgens het door appellant tegen het besluit van 10 juni 2005 gemaakte bezwaar bij besluit van 1 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het feit dat de verhuurder geen toestemming wil verlenen voor inschrijving in de GBA voor rekening en risico van appellant dient te komen. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de Wet op de studiefinanciering (WSF 2000). De rechtbank is voorts van oordeel dat het besluit op bezwaar van (het College van Burgemeester en Wethouders van) de gemeente Rotterdam van 7 augustus 2006 bij haar beoordeling niet kan worden meegenomen omdat de IB-Groep daarmee bij het bestreden besluit geen rekening kon houden.

In hoger beroep is hiertegen door appellant aangevoerd dat sprake is van een situatie waarin hem van de gebleken afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft voorts aangegeven dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het door hem in beroep overgelegde besluit op bezwaar vanwege de gemeente Rotterdam van 7 augustus 2006. De gemeente heeft daarin bepaald dat alsnog in de GBA wordt verwerkt dat appellant ingaande 1 maart 2005 is verhuisd naar het door hem opgegeven adres.

De Raad overweegt als volgt.

Uitwonende studerenden kunnen in aanmerking komen voor een hoger bedrag aan studiefinanciering dan thuiswonende studerenden.

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de WSF 2000 wordt onder een thuiswonende studerende verstaan een ‘studerende die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen’ en onder uitwonende studerende een ‘studerende die niet een thuiswonende studerende is’.

De Raad stelt vast tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf maart 2005 zijn hoofdverblijf had aan het adres [adres 1] en een uitwonende studerende was in vorenbedoelde zin.

Bij Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb. 2001, 67), is de regeling inzake het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende gewijzigd. Ingevolge deze wet luidt artikel 1.5 van de WSF 2000 vanaf 1 januari 2002 als volgt:

“1. Indien bij de controle door de IB-Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt de IB-Groep dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.

2. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.”

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant van de afwijking redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of appellant zich die inspanningen heeft getroost om zich te (kunnen) laten inschrijven in de GBA die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden. Ter zake overweegt de Raad dat appellant een verklaring van Stadswonen van 25 januari 2005 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat aan de huurder toestemming is gegeven [de woning op het adres 1] vanaf maart 2005 in onderhuur te geven. Appellant heeft voorts een huurovereenkomst overgelegd. Hij heeft zich – zoals blijkt uit het preadvies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 15 december 2005 – in februari 2005 tot de GBA gewend om aangifte te doen van zijn op handen zijnde verhuizing naar [adres 1]. Ook nadien heeft hij zich diverse malen tot de GBA gewend om een correcte inschrijving te realiseren.

Naar aanleiding van het schrijven van de IB-Groep van 9 april 2005 heeft appellant op 6 mei 2005 gereageerd. Anders dan de IB-Groep ter zitting heeft gesteld, is dit binnen de in de brief van 9 april 2005 genoemde termijn van vier weken; de brief is namelijk verzonden op zaterdag 9 april 2005, zodat appellant hem niet eerder dan maandag 11 april 2005 kan hebben ontvangen. Voorts heeft appellant zich op 13 juni 2005 nogmaals tot de IB-Groep gewend.

Appellant heeft voorts - zoals blijkt uit zijn schrijven van 15 augustus 2005 - de nodige moeite gedaan om een schriftelijk besluit vanwege de gemeente Rotterdam ter zake van de weigering hem in te schrijven te verkrijgen; hij heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt èn heeft uiteindelijk de inschrijving in de GBA per 1 maart 2005 op het adres [adres 1] daadwerkelijk gerealiseerd.

Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat van appellant redelijkerwijs niet meer inspanningen konden worden gevergd om zich op het door hem aan de IB-Groep opgegeven woonadres te (kunnen) laten inschrijven in de GBA. Dat het appellant eerst in beroep is gelukt om daadwerkelijk inschrijving op dat adres te realiseren, maakt dit niet anders. Het gaat immers niet om het resultaat van de inspanningen, maar om het antwoord op de vraag of appellant voldoende moeite heeft gedaan om de afwijking ongedaan te maken. Nu dit het geval is, kan de Raad slechts concluderen dat appellant van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dat besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 1.5 van de WSF 2000. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 juni 2005 te herroepen.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 10 juni 2005;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het griffierecht van in totaal € 142,= aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HS