Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06-73 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Onderkenning van situationele omstandigheden, maar geen sprake van enige op ziekte of gebrek terug te voeren beperking die het verrichten van de maatgevende arbeid onmogelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/73 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van :

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 november 2005, 05/419 WAO (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M.W. van der Helm, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Naast haar werkzaamheden bij GGZ Oost Brabant als nachtverpleegkundige in een woonvoorziening voor mensen met niet aangeboren hersenletsel voor 18 uur per week, verzorgde appellante haar hulpbehoevende ouders in de vorm van thuiszorg in verband waarmee zij een dienstverband had met de Stichting Sara als verpleegkundige in de thuiszorg. Nadat deze thuiszorg was beëindigd, is aan appellante per 1 november 2002 in verband met de werkzaamheden als verpleegkundige in de thuiszorg voor 16 uur per week een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Op 15 januari 2003 is appellantes moeder overleden en op 19 januari 2003 heeft zij zich ingevolge de Ziektewet (ZW) ziek gemeld vanwege klachten van overspannenheid vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de WW ontving. De werkzaamheden als verpleegkundige bij GGZ Oost Brabant is zij blijven verrichten.

In het kader van de einde wachttijdbeoordeling ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is na overleg tussen de arbeidsdeskundige, de stafverzekeringsarts en arts R.H.P. Draaijer besloten om een psychiatrische expertise te laten verrichten. In het rapport van 15 januari 2004 komt psychiater P.J.H. Notten tot de conclusie dat er in psychiatrische zin sprake is van een waanstoornis met een gestoorde realiteitstoetsing, die redelijk geïsoleerd is en betrekking heeft op de familie. Volgens psychiater Notten hoeft er dan ook geen rekening gehouden te worden met beperkingen bij een eventuele werkhervatting. Op grond van het rapport van psychiater Notten komt arts Draaijer tot de conclusie dat er wel sprake is van een psychiatrische ziekte maar dat er geen sprake is van beperkingen als rechtstreeks gevolg van deze ziekte.

Bij besluit van 9 februari 2004 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij per 18 januari 2004 geschikt wordt geacht voor haar eigen werk bij haar eigen of een andere werkgever en dat een uitkering ingevolge de WAO wordt geweigerd.

In verband met de bezwaarprocedure heeft een hoorzitting plaatsgevonden met onder andere bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke, die in zijn rapportage van 5 mei 2004 de door appellante ingebrachte medische informatie afkomstig van psycholoog F. Mosterd, de Geestgronden (instelling voor geestelijke gezondheidszorg), internist C.H. Beerenhout en huisarts T.C.G. van den Akker in zijn besluitvorming heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts is van oordeel dat het onderzoek van arts Draaijer voldoende zorgvuldig is en komt tot de conclusie dat er op grond van de ingebrachte medische informatie evenmin aanleiding bestaat om specifieke beperkingen ten aanzien van de psychische of fysieke belasting te veronderstellen.

Bij het bestreden besluit van 18 juni 2004 is het bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en is van oordeel dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de in bezwaar ingebrachte medische gegevens geen aanleiding geven om specifieke beperkingen aan te nemen ten aanzien van psychische of fysieke belasting. De bezwaarverzekeringsarts heeft volgens de rechtbank terecht bepaald dat er voor appellante op de datum in geding geen beperkingen voor het verrichten van arbeid aanwezig zijn ten gevolge van ziekte of gebrek in de zin van de WAO. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat appellante terecht in staat is geacht haar eigen werk te verrichten.

In hoger beroep heeft appellante (wederom) aangevoerd dat zij haar ouders 24 uur per dag en zeven dagen per week verzorgde en dat, als zij haar werkzaamheden bij GGZ Oost Brabant verrichte de thuiszorg door Stichting Sara werd overgenomen. Door het veranderen van deze zorg op last van de rechter op 21 oktober 2002 zijn haar ouders volgens appellante in eenzaamheid in een verpleegtehuis gestorven, hierdoor is haar verdriet zo groot dat zij niet meer in staat is om soortgelijk werk te verrichten. Dit wordt volgens appellante bevestigd door de brief van 3 januari 2006 van psychotherapeut G. Gaastra-Levin die aangeeft dat appellante vanwege haar conditie wordt gehinderd om voor anderen te zorgen die in vergelijkbare situaties verkeren als haar ouders.

In reactie op het beroepschrift heeft bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders aangegeven dat er aannemelijk sprake is van een ‘zo zijn’ aspect in het gedrag van appellante, echter niet inzichtelijk van significante beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Dat appellante van tijd tot tijd reactief emotioneel uit balans was rondom de datum in geding (moeder was overleden, vader sterk dementerend, diepe onenigheid met haar broers en zussen en een rechterlijke uitspraak waarbij betrokkene krenking ervoer) is invoelbaar en aannemelijk. Hieruit kan evenwel geen wezenlijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een psychiatrisch toestandsbeeld worden geconcludeerd. Appellante heeft bij brief van 14 april 2006 gereageerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts.

Desgevraagd heeft het Uwv bij schrijven van 9 november 2007 nogmaals zijn standpunt herhaald dat er bij het einde van de wachttijd geen sprake is van beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek, waardoor een arbeidsdeskundig onderzoek naar de maatgevende arbeid niet aan de orde is.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 18 van de WAO is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Onder de maatgevende arbeid dient in dit geval te worden verstaan de functie als verpleegkundige bij

GGZ Oost Brabant in combinatie met de functie als verpleegkundige in de thuiszorg.

De Raad stelt vast dat appellante in hoger beroep haar in eerste aanleg ingebrachte grieven heeft gehandhaafd. De Raad ziet, evenals de rechtbank, in die grieven en in de brief van 3 januari 2006 van psychotherapeut Gaastra-Levin geen aanleiding het bestreden besluit onjuist te achten en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.

De situationele omstandigheden van appellante worden onderkend maar leiden naar het oordeel van de Raad, mede gelet op de beschikbare medische gegevens, zowel die van verzekeringsgeneeskundige aard, de psychiatrische expertise van Notten als die door appellante overgelegd, tot de constatering dat bij appellante geen lichamelijke en/of psychische aandoeningen zijn vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, zou dienen te worden aangenomen dat op de hier in geding zijnde datum sprake was van enige op ziekte of gebrek terug te voeren beperking die het verrichten van de maatgevende arbeid onmogelijk maakt.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak bevestigt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.W.A. Schimmel.

TM