Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06-7178 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsgebrek niet binnen termijn hersteld. Vóór het verstrijken van de hoger beroepstermijn de identiteit van een appellant bekend dient te zijn.

Wetsverwijzingen
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/114
ABkort 2008/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7178 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 november 2006, 05/8418 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

de Commandant Luchtstrijdkrachten (hierna: commandant)

25 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Op een verzoek aan appellant heeft de commandant bij brief van 4 februari 2008 inlichtingen gegeven.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij een besluit van 14 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar van betrokkene tegen een inhouding op zijn salaris ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is onder meer gemotiveerd dat en waarom de commandant bevoegd is dit besluit te nemen.

2. Bij de aangevallen uitspraak, waarin de commandant als verweerder is vermeld, is - voor zover hier van belang - het bestreden besluit vernietigd en is het primaire besluit herroepen. De rechtbank was van oordeel dat er ten onrechte een inhouding had plaatsgevonden.

3. Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat de aangevallen uitspraak vernietigd wordt en dat het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond wordt verklaard.

3.1. Bij de in rubriek I genoemde brief van 4 februari 2008 heeft de commandant mee-gedeeld dat het inleidend hoger beroep en de gronden van het hoger beroep abusievelijk onbevoegd namens appellant zijn ingesteld, respectievelijk ingezonden, terwijl dit namens de commandant had moeten geschieden. De commandant acht dit gebrek hersteld door zijn kennisname van de gronden en door deze integraal tot zich te nemen. Subsidiair verzoekt de commandant de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Appellant was geen procespartij bij het geding in eerste aanleg dat heeft geleid tot de aangevallen uitspraak. Deze omstandigheid in samenhang met de, ingevolge de brief van 4 februari 2008 geldende, kennelijk exclusieve bevoegdheid van de commandant en de onbevoegdheid van appellant om tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep in te stellen, brengt de Raad tot het oordeel dat appellant niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan dat ingevolge artikel 18 van de Beroepswet bevoegd is tot het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

4.2. De Raad begrijpt uit de brief van de commandant van 4 februari 2008 dat deze zich alsnog in de plaats van de staatssecretaris van Defensie als appellant wenst te stellen. De Raad dient derhalve de vraag te beantwoorden of het gebrek, dat aan het hoger beroep kleeft en dat in beginsel leidt tot een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, door deze brief gerepareerd geacht kan worden. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat het herstel van het gebrek (ruimschoots) ná de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - in verbinding met artikel 6:24 van die wet - vermelde termijn heeft plaatsgevonden.

4.3. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar vaste jurisprudentie (zie CRvB van 7 december 2006, LJN AZ5218 en TAR 2007, 45, alsmede de onder 2.3. van die uitspraak genoemde uitspraken) brengt het stelsel van de Awb in samenhang met het beginsel van een goede procesorde met zich mee dat vóór het verstrijken van de hoger beroepstermijn de identiteit van een appellant bekend dient te zijn. In lijn hiermee dient evenzeer vóór het verstrijken van de hogerberoepstermijn de naam van de juiste appellant bekend te zijn. Dit betekent dat geen sprake is van een omstandigheid waardoor redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de commandant niet in verzuim is geweest.

4.4. Het hoger beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.

De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

HD

26.02