Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06-6587 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van nieuwe feiten een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6587 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[verzoekster] (hierna: verzoekster),

om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 september 2006, 03/6255 ZW,

in het geding tussen

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 september 2006, 03/6255 ZW.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008. Namens verzoekster is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

De uitspraak van de Raad van 20 september 2006, waarvan herziening is verzocht, heeft betrekking op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2003, 03/492. In deze uitspraak is het beroep van verzoekster tegen de beslissing op bezwaar van 31 januari 2003 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het Uwv zijn besluit van 8 februari 2001 gehandhaafd en het bezwaar van verzoekster tegen de weigering om terug te komen op een rechtens onaantastbaar besluit van 13 november 1995, ongegrond verklaard. In dat besluit was verzoekster met ingang van 1 december 1995 geschikt geacht voor haar arbeid en werd haar uitkering ingevolge de Ziektewet per die datum beëindigd.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 20 september 2006 geoordeeld dat het Uwv het verzoek van verzoekster om terug te komen van een rechtens onaantastbaar geworden besluit op grond van artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afwijzen en heeft onder meer overwogen:

“Nog afgezien van de omstandigheid dat bedrijfsarts Van Seters zijn uitspraak heeft gedaan in het kader van een andere procedure met eigen specifieke wetgeving en jurisprudentie blijkt uit de gedingstukken dat Van Seters het Uwv reeds bij brief van

30 juni 1995 op de hoogte heeft gesteld van de klachten en het ziekteverloop van appellante. Voorts is blijkens het rapport van verzekeringsarts L.C. Braber van 31 oktober 1995 met Van Seters afgesproken dat hij appellante hersteld zou verklaren.”

Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat de Raad een aantal feiten niet juist heeft vastgesteld en dat er sprake is van een evidente misslag. De Raad heeft volgens verzoekster niet onderkend dat de brief van bedrijfsarts A. van Seters gericht was aan het Uwv gevestigd in Amsterdam, terwijl verzekeringsarts L.C. Braber werkzaam was bij het Uwv gevestigd in Rotterdam. Hier moet volgens verzoekster uit geconcludeerd worden dat verzekeringsarts Braber niet op de hoogte was van het schrijven van bedrijfsarts Van Seters, waardoor hetgeen deze ter zitting bij de rechtbank Rotterdam op 22 maart 1999 in het kader van een procedure ingevolge de Werkloosheidswet heeft verklaard, ten onrechte niet als nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, is aangemerkt.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN: AN7982, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

Zo de kwalificatie kennelijke misslag in deze al juist zou zijn, hetgeen de Raad in het midden laat, ziet de Raad in hetgeen verzoekster in haar verzoekschrift heeft gesteld geen feiten of omstandigheden zoals omschreven in artikel 8:88 van de Awb.

Het verzoek om herziening dient daarom te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL