Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06-5828 WSW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermindering van de aan betrokkene toekomende subsidie. De vermindering ten opzichte van eerder toegekende subsidie wegens overschrijding van termijn voor herindicatie wordt teruggevorderd.

Wetsverwijzingen
Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening
Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 223 met annotatie van W. den Ouden
USZ 2008/143 met annotatie van J.E. van den Brink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5828 WSW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 augustus 2006, 05/2294 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: minister)

Datum uitspraak: 14 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 14 juli 2005 heeft de minister de voor het jaar 2003 aan appellant toekomende subsidie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) vastgesteld. Daarbij is, voor zover thans van belang, een vermindering van € 125.711,- ten opzichte van de eerder toegekende subsidie toegepast wegens overschrijding van de termijn voor herindicatie in een aantal gevallen, welk bedrag tevens is teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 16 november 2005 (hierna: bestreden besluit) is zowel deze vermindering als deze terugvordering na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wsw verstrekt het Rijk aan de gemeente een subsidie voor - kort gezegd - de uitvoering van de sociale werkvoorziening. In artikel 8, derde lid, van de Wsw is bepaald dat de hoogte van de subsidie, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) gestelde regels, wordt bepaald aan de hand van - onder meer - een door de minister voor elke gemeente vast te stellen aantal dienstbetrekkingen op basis van een volledige werkweek dan wel arbeidsovereenkomsten op grond van artikel 7, alsmede een door de minister jaarlijks vast te stellen bedrag per arbeidsovereenkomst en per dienstbetrekking.

3.2. In artikel 9, eerste lid, van de Wsw is bepaald dat de minister na afloop van het jaar de subsidie vaststelt. De vastgestelde subsidie kan van de verleende subsidie afwijken voor zover:

c. het gemeentebestuur niet handelt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels (…);

Ingevolge artikel 9, derde lid, van de Wsw worden bij of krachtens AMvB regels gesteld voor de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de subsidieverlening voor de komende jaren.

In artikel 2, derde lid, van het Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening (hierna: Besluit vaststelling subsidie) wordt, indien de subsidie aan de gemeente lager wordt vastgesteld dan de verleende subsidie over het subsidiejaar, het verschil terug-gevorderd dan wel verrekend met de subsidie over het lopende subsidiejaar.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie stelt, in een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Wsw, de minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende regels door ten aanzien van enkele personen die een Wsw-dienstverband vervulden, niet tijdig een herindicatie te vragen, waardoor deze personen gedurende enige tijd zonder een geldige indicatie werkzaam zijn geweest in Wsw-verband. De Raad deelt voorts het standpunt van de minister dat dit handelen in strijd met de regels als verwijtbaar moet worden aangemerkt. Appellant was van de regels op de hoogte, maar door onvolkomenheden in de administratie, die voor zijn rekening dienen te komen, zijn enkele herindicaties niet tijdig aangevraagd. Dat voor de betrokkenen naderhand alsnog een herindicatie is verleend, kan hieraan, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet afdoen, aangezien de herindicatie geen terugwerkende kracht heeft. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 17 augustus 2006, LJN AY6983, in een geding tussen appellant en de minister over de vermindering van subsidie over het jaar 2000 heeft overwogen, is het behoren tot de doelgroep van de Wsw een voorwaarde om van uitvoering van de sociale werkvoorziening te kunnen spreken en (her)indicatie het aangewezen middel om vast te stellen of iemand tot die doelgroep behoort.

3.4. De Raad is voorts van oordeel dat het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 30 januari 2007, LJN AZ8022, niet opgaat, omdat de uitwerking die in artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie is gegeven, niet de in artikel 9, derde lid, van de Wsw gestelde grenzen te buiten gaat. De Raad acht hierbij in de eerste plaats van belang dat de minister alleen dan tot hantering van bedoeld artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie overgaat, wanneer sprake is van verwijtbaar handelen in strijd met de geldende regels. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de subsidie, ingevolge artikel 4, eerste lid, van voornoemd Besluit slechts wordt verminderd, voor zover deze niet is gebruikt voor het doel waarvoor het was verleend, terwijl de artikelen 5 en volgende van bedoeld Besluit vervolgens een nadere regeling geven voor de situatie dat het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed niet is vast te stellen. Anders dan appellant heeft betoogd, kan dan ook niet worden gezegd dat artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie rechtskracht zou ontberen. Bovendien is voor de door appellant bepleite analoge toepassing van artikel 6 van meergenoemd Besluit geen aanleiding, nu immers het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed exact kon worden vastgesteld. Ook is hier, zoals de Raad reeds heeft aangegeven in zijn hiervoor in rechtsoverweging 3.3. genoemde uitspraak, geen sprake van een punitieve sanctie. Het gaat, zoals hiervoor is overwogen, slechts om het bij de vaststelling van subsidie buiten beschouwing laten van dienstverbanden die niet voldoen aan een wezenlijk kenmerk van de activiteiten waarvoor indertijd subsidie is verleend.

3.5. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de minister op goede gronden is overgegaan tot de onderhavige vermindering van de subsidie, waarvan de berekening door appellant overigens niet is betwist. Gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Besluit vaststelling subsidie is de minister eveneens op goede gronden overgegaan tot de uit de vermindering voortvloeiende terugvordering.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M.C. Bruning en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.)R.B.E. van Nimwegen.

HD

27.01