Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06-5426 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WW-uitkering, omdat betrokkene volledig als zelfstandige werkt. Individuele re-integratie overeenkomst. Gewerkte uren spreiden over langere periode?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16
Werkloosheidswet 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 110
SR 2008, 37 met annotatie van A.C. Damsteegt
USZ 2008/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5426 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 augustus 2006, 06/220 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 27 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. E.N. Ebels, werkzaam bij Stew advies & en training Kleinbedrijf te Amsterdam (hierna: Stew), als zijn raadsvrouw.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.2. Aan betrokkene is met ingang van 3 februari 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 37,50 per week. In verband met het voornemen van betrokkene om als zelfstandige een klusbedrijf te beginnen is op 8 september 2004 een trajectplan opgesteld door Stew dat door appellant is goedgekeurd. In dat plan is vermeld dat betrokkene in de periode van 1 april 2005 tot 1 september 2005 probeert daadwerkelijk opdrachten te verkrijgen. Indien deze activiteiten tot opdrachten leiden dienen de gewerkte uren opgegeven te worden en worden deze in mindering gebracht op de uitkering. Op 1 september 2005 zal betrokkene starten als volledig ondernemer, hetgeen impliceert dat betrokkene zijn WW-uitkering stopzet en zijn inkomsten volledig uit zijn bedrijf zal verwerven. Ter uitvoering van dit plan is vervolgens tussen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en Stew op 12 augustus 2005 een individuele re-integratie overeenkomst gesloten, welke door betrokkene op 1 september 2005 voor gezien is ondertekend.

1.3. Op het werkbriefje over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 28 augustus 2005 heeft betrokkene vermeld dat hij in de kalenderweek van 8 augustus 2005 tot en met 12 augustus 2005 op 5 dagen in totaal 40 uur werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en dat hij in de 2 daaropvolgende weken met vakantie was. Naar aanleiding van dit werkbriefje heeft appellant bij besluit van 17 augustus 2005 aan betrokkene medegedeeld dat zijn WW-uitkering met ingang van 8 augustus 2005 wordt beëindigd, omdat hij volledig als zelfstandige werkt. Bij besluit van 13 december 2005 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene in de week van 8 tot en met 12 augustus 2005 daadwerkelijk gedurende 40 uur werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht in het door hem gestarte klusbedrijf. Gelet op de omvang van die werkzaamheden is in de visie van appellant geen sprake meer van voorbereidende of verkennende werkzaamheden. Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 20, tweede lid, van de WW is het recht op WW-uitkering in die week voor 40 uur geëindigd. Appellant heeft tevens overwogen dat betrokkene als startende ondernemer het werknemerschap eerst herkrijgt als de werkzaamheden als zelfstandige binnen anderhalf jaar na aanvang volledig zijn geëindigd.

1.4. In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat hij het onredelijk vindt dat zijn uitkering na één week werken volledig wordt beëindigd en dat, nu de WW-uitkering per vier weken wordt betaald, het reëler zou zijn om de uren die hij heeft gewerkt te spreiden over een gelijke periode.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst gewezen op de hiervoor onder 1.2. gemaakte afspraken. Vervolgens heeft zij overwogen dat het recht op WW-uitkering, voor zover dat wordt bepaald door verlies van arbeidsuren, weliswaar moet worden beoordeeld per week, maar dat noch in artikel 8 noch in artikel 20 van de WW de eis wordt gesteld dat het verlies van werknemerschap ook per week moet worden beoordeeld. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de systematiek van de wet in dat opzicht tot een beoordeling per kalenderweek dwingt. Nu de rechtbank niet is gebleken dat betrokkene er op enig moment op is gewezen dat hij door het uitvoeren van een opdracht gedurende 40 uur zijn werknemerschap en daarmee zijn aanspraak op verdere WW-uitkering - aldus begrijpt de Raad de overweging van de rechtbank - blijvend zou verliezen acht de rechtbank de motivering van het bestreden besluit onjuist, omdat de vraag of betrokkene zijn werknemerschap reeds per 8 augustus 2005 heeft verloren niet kon worden beantwoord door uitsluitend met die werkzaamheden rekening te houden en daarbij niet tenminste ook de situatie van betrokkene tot 1 september 2005 mee te wegen. Op die grond is het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank het wettelijk kader heeft genegeerd. De rechtbank is eraan voorbij gegaan dat ingevolge artikel 20, tweede lid, van de WW in ieder geval het recht op uitkering over het aantal uren in de week van 8 tot en met 12 augustus 2005 is geëindigd en dat die uren - in het geval van betrokkene - definitief zijn verloren, tenzij hij zijn werkzaamheden binnen 1½ jaar na aanvang daarvan beëindigt. Voorts stelt appellant dat de vaststelling en beoordeling van het verlies van arbeidsuren per kalenderweek in artikel 16 van de WW tevens van toepassing is op artikel 20 van de WW en wijst er daartoe op dat zowel artikel 16 als artikel 20 zijn opgenomen in Hoofdstuk IIA van de WW. Een afwijkende regeling is in het kader van artikel 20 in elk geval niet gegeven. Hij meent dat de systematiek van de wet geen andere mogelijkheid laat dan ook het verlies van werknemerschap per kalenderweek te beoordelen. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat betrokkene ook door middel van de aan hem verstrekte folders is geïnformeerd over de gevolgen voor de WW-uitkering wanneer als zelfstandige wordt gewerkt.

3.2. Betrokkene stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en wijst er met nadruk op dat de wet niet dwingt de beoordeling van het verlies van werknemerschap op gelijke wijze te doen plaatsvinden als de beoordeling van de werkloosheid. Hij is voorts van mening dat er bij een eenmalige opdracht nog geen sprake was van een zelfstandig ondernemerschap en dat de beoordeling van het verlies van werknemerschap over een langere werkperiode dan een kalenderweek zou dienen plaats te vinden.

4.1. De Raad staat voor de vraag of hij de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.2. Artikel 8, eerste lid, van de WW bepaalt dat een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer behoudt, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Het tweede lid bepaalt dat voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, het recht op uitkering eindigt terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

4.3. Op grond van de opgave op het werkbriefje heeft appellant terecht aangenomen dat betrokkene in de week van 8 augustus 2005 tot en met 12 augustus 2005 gedurende 40 uur als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht. De Raad onderschrijft niet het standpunt van betrokkene dat van werkzaamheden als zelfstandig ondernemer nog geen sprake was omdat het om een eenmalige klus zou zijn gegaan. Niet alleen passen de aanvang en de aard van deze werkzaamheden binnen het begeleidingstraject, maar bovendien heeft betrokkene ter zitting bevestigd dat hij na zijn vakantie in augustus 2005 is verder gegaan met dezelfde opdracht.

4.4. Hoewel de rechtbank met juistheid heeft opgemerkt dat de artikelen 8 en 20 van de WW geen expliciete regel geven op grond waarvan het verlies van werknemerschap, zoals bij de toepassing van artikel 16 van de WW, per kalenderweek dient te worden berekend, heeft appellant, naar het oordeel van de Raad, bij het bestreden besluit op goede gronden aangesloten bij het systeem van de WW, dat uitgaat van beoordeling van werkloosheid per kalenderweek, waarbij de Raad in het bijzonder wijst op de relatie tussen artikel 16 en 20. De Raad verwijst naar het oordeel, zoals onder meer neergelegd in zijn uitspraken van 19 december 1993, LJN ZB0793, RSV 1994/136, en van 7 december 1994, LJN ZB2544, RSV 1995/134. De Raad ziet in de omstandigheid dat in het trajectplan als datum van volledige start als zelfstandige 1 september 2005 is genoemd, noch in de omstandigheid dat betrokkene na de week van 8 tot en met 12 augustus 2005 twee weken vakantie heeft genoten, klemmende argumenten om, zoals de rechtbank kennelijk voorstaat, het verlies van werknemerschap te beoordelen over de weken van 8 augustus 2005 tot (woensdag) 1 september 2005. De Raad laat dan nog daar dat betrokkene tijdens de hoorzitting heeft verklaard in september 2005 twee weken te hebben gewerkt. In zijn rechtspraak heeft de Raad tevens aangegeven dat de beoordeling per week voor de betrokkene ongunstig kan uitvallen, maar dat dat inherent is aan dat systeem. De Raad merkt tot slot nog op dat betrokkene, anders dan de rechtbank heeft verondersteld, uit het hem ter beschikking gestelde voorlichtingsmateriaal heeft kunnen afleiden dat een beëindiging als de onderhavige in beginsel een blijvende beëindiging van het recht op WW-uitkering betekent.

4.5. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat betrokkene in de week van 8 tot en met 12 augustus 2008 het werknemerschap geheel heeft verloren en dat het recht op WW-uitkering in die week geheel is geëindigd. Ingevolge de vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer de uitspraak van 8 december 1992, LJN AK9198, RSV 1993/106) kan een beginnende zelfstandige het werknemerschap slechts herkrijgen indien de werkzaamheden als zelfstandige volledig worden beëindigd. Uit de stellingen van betrokkene en uit de stukken blijkt niet dat in de periode in geding van een dergelijke volledige beëindiging sprake is.

4.6. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaren.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW

182