Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
06/1412 WAZ en 06/3422 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit opnieuw WAZ-uitkering geweigerd. Nadere functieselectie. Voldoende passende functies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1412 WAZ en 06/3422 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2006, 05/1089 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van bijlagen, onder meer een ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 7 maart 2006.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schermerhorn, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is met diverse pijnklachten als gevolg van een val in november 2002 uitgevallen voor haar werkzaamheden als zelfstandig taxichauffeur. Ook is er sprake van hartklachten, migraine en psychosociale problematiek.

Bij besluit van 13 december 2004 heeft het Uwv geweigerd om appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 19 november 2003, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is.

Bij besluit van 18 april 2005, hierna: bestreden besluit 1, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 december 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde en in de functionele mogelijkhedenlijst neergelegde beperkingen. De rechtbank heeft in dit verband onder meer opgemerkt dat de bezwaarverzekeringsarts de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen nog enigszins heeft aangescherpt, waarbij hij in het bijzonder acht heeft geslagen op een door de orthopedisch chirurg prof. dr. J.W. van der Eijken in het kader van een letselschadeprocedure omtrent appellante opgesteld rapport. Met de locomotoire problematiek van appellante is volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden. Hierbij heeft de bezwaarverzekeringsarts, in reactie op hetgeen dienaangaande van de zijde van appellante naar voren is gebracht, opgemerkt dat het vertalen van stoornissen naar beperkingen een specifieke verzekeringsgeneeskundige aangelegenheid betreft. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen indicatie voor een urenbeperking aanwezig geacht, waarbij hij in aanmerking heeft genomen dat geen sprake is van aandoeningen die met een duidelijk energieverlies gepaard gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusies naar behoren gemotiveerd en zijn die conclusies juist zijn te achten.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van de schatting, heeft de rechtbank overwogen dat een van de bij die schatting gebruikte functies, te weten die van medewerker opstellen ochtendploeg, niet passend voor appellante is te achten, dat die functie derhalve dient te vervallen en dat er onvoldoende, want slechts twee, functies resteren om de schatting te dragen. De grief van appellante dat haar maatmaninkomen te laag is vastgesteld, is door de rechtbank verworpen.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit wegens een ondeugdelijke motivering vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van appellante. Tevens heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellante heeft in hoger beroep haar eerdere grieven gehandhaafd. Zij houdt staande dat haar beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen urenbeperking in aanmerking is genomen. Zij heeft wederom een beroep gedaan op het voornoemde rapport van de orthopedisch chirurg Van der Eijken. Ook heeft appellante haar grief gehandhaafd dat haar maatmaninkomen te laag is vastgesteld.

Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust en heeft ter uitvoering daarvan een nader besluit genomen, gedateerd 7 maart 2006, hierna te noemen: bestreden besluit 2. Met dat besluit is het bezwaar van appellante andermaal ongegrond verklaard.

Bestreden besluit 2 dient met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure te worden betrokken. Appellante blijft belang behouden bij een beoordeling van bestreden besluit 1 en mitsdien bij haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, in verband met haar vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.

De Raad ziet in navolging van de rechtbank de grieven van appellante tegen de medische grondslag van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet slagen. In zijn rapport van 21 januari 2008, waarmee de bezwaarverzekeringsarts reageert op namens appellante in hoger beroep ingezonden nadere medische stukken, heeft die arts nogmaals aangegeven dat de orthopedische expertise van Van der Eijken in bezwaar is meegewogen en dat aan de objectieve bevindingen waartoe die orthopeed is gekomen niet wordt getwijfeld. De vertaling van die bevindingen naar beperkingen acht de bezwaarverzekeringsarts evenwel, zoals hij reeds eerder heeft opgemerkt, primair een verzekeringsgeneeskundige aangelegenheid. De Raad kan zich met deze beschouwingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts verenigen. De Raad is van oordeel dat in het licht van het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waaronder het rapport van Van der Eijken, appellante ook in hoger beroep niet erin is geslaagd haar eigen opvatting over de ernst en aard van de voor haar ten tijde hier van belang geldende medische beperkingen aan de hand van toereikende objectief-medische gegevens aannemelijk te maken.

Voor de Raad staat, aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, voorts genoegzaam vast dat met de nadere functieselectie zoals die heeft plaatsgevonden ter voorbereiding van bestreden besluit 2, aan de onderhavige schatting thans een voldoende aantal passende functies ten grondslag ligt. De Raad acht de passendheid van de functies overtuigend toegelicht met de arbeidskundige rapportage van 21 en 28 februari en 2 maart 2006 en de nadere arbeidskundige rapportage van 18 januari 2008. Onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande ter zitting is besproken, merkt de Raad op dat ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de functie van productiemedewerker industrie zou moeten komen te vervallen, zoals van de zijde van appellante is bepleit, met de alsdan in beeld komende reservefunctie productiemedewerker textiel een voldoende aantal functies met voldoende arbeidsplaatsen resteert, terwijl de uitkomst van de schatting daardoor niet wijzigt.

Van de zijde van appellante is ter zitting desgevraagd expliciet aangegeven dat haar grief inzake het in aanmerking genomen maatmaninkomen uitsluitend bespreking behoeft indien de functies waarop de schatting thans berust (grotendeels) niet overeind zouden blijven en (deels) zou moeten worden teruggevallen op de reservefuncties met een beduidend lager uurloon en beduidend grotere reductiefactor. De Raad stelt vast dat die situatie zich niet voordoet, zodat hij een beoordeling van bedoelde grief achterwege zal laten.

De Raad komt tot de slotsom dat bestreden besluit 2 in rechte stand kan houden.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get). J.E.M.J. Hetharie

JL