Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5594

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
05-1544 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling premie voor vrijwillige AOW/ANW-verzekering. Vaststelling belastbaar inkomen. Aftrekbaarheid premie lijfrenteverzekering? Standpunt belastingdienst. Zorgvuldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1544 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (Canada) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2005, 03/3786 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadien nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is met ingang van 1 januari 2000 toegelaten tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Voorts heeft hij sinds eind 1996 deelgenomen aan het ABP Deelnemer- en Partnerplan. Ten behoeve van deze lijfrenteverzekering heeft appellant over de periode januari tot en met juni 2001 premie betaald, waarna hij de verzekering heeft beëindigd.

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft de Svb de door appellant verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW/ANW- verzekering over het jaar 2001 definitief vastgesteld, ervan uitgaande dat de door appellant in dat jaar betaalde premie voor lijfrente niet voor aftrek op zijn belastbaar inkomen in aanmerking komt. Daartoe is overwogen dat premies voor lijfrente voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn zolang er op een latere datum een belastbare pensioenvoorziening uit voortvloeit. De premies die appellant tot de opzegging van de lijfrenteverzekering heeft betaald, zullen echter niet tot een dergelijke verstrekking leiden. Bij besluit van 30 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn grief herhaald dat de Svb de regels van de de Belastingdienst dient te volgen. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de Belastingdienst betaalde premies ook als aftrekpost accepteert bij beëindiging van de lijfrenteverzekering. Appellant heeft zijn betoog doen ondersteunen door brieven van de Belastingdienst en ook van Loyalis, het voormalig ABP.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de Svb een nadere toelichting gegeven op het bestreden besluit. De Svb stelt zich op het standpunt dat de betaalde premie lijfrenteverzekering niet aftrekbaar is omdat appellant door de verzekering te beëindigen contractbreuk heeft gepleegd en de verzekering ook niet tot uitbetaling is gekomen. Voorts is betoogd dat de Svb weliswaar de fiscale wetgeving als uitgangspunt neemt, maar appellant niet heeft aangetoond dat de Belastingdienst de in 2001 betaalde premies als aftrekpost voor dat jaar heeft geaccepteerd en dat ook niet aannemelijk is te achten. Na de belastingherziening van 2001 zijn premies betaald op contracten van vóór 2001 alleen fiscaal aftrekbaar in geval die contracten voldoen aan de per 1 januari 2001 van kracht geworden vereisten. De gemachtigde verwijst hiervoor naar de toelichting in de Elsevier belastingalmanak en naar het verweerschrift in eerste aanleg. Het door appellant overgelegde polisblad van de verzekering is onvoldoende om te kunnen vaststellen of zijn vóór 1 januari 2001 afgesloten contract is aangepast aan de gewijzigde wetgeving. De Svb is van mening dat appellant ruimschoots de tijd heeft gehad om dit aan te tonen, maar hierin niet is geslaagd.

De Raad ziet zich in deze procedure gesteld voor de beantwoording van de vraag of de Svb bij de definitieve vaststelling van de premie voor de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de ANW over het jaar 2001 de door appellant tot de beëindiging van de lijfrenteverzekering betaalde premie terecht niet voor aftrek in aanmerking heeft genomen.

Op grond van artikel 5 van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW van 8 mei 2001 Stb. 224, wordt de premie voor de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW/ANW vastgesteld op basis van het premie-inkomen bedoeld in artikel 8 van de Wet

financiering volksverzekeringen (Wfv).

Ingevolge artikel 8, eerste volzin, van de Wfv wordt voor de heffing van de premie volksverzekeringen bij wege van aanslag onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, be-paald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001(Wet IB 2001).

Artikel 3.1. van de Wet IB 2001 luidt, voor zover van belang:

1. Belastbaar inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning.

2. Inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van:

(…..)

verminderd met:

(…..)

i. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen

(…..).

Ingevolge artikel 3.124 van de Wet IB 2001 zijn premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort tot de in de artikelen 3.127, 3.128 en 3.129 genoemde bedragen, uitgaven voor inkomensvoorzieningen die op de belastingplichtige drukken.

Artikel 3.125, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet IB 2001 bepaalt - voor zover van belang - dat als een lijfrente die dient ter compensatie van een pensioen, wordt aangemerkt een lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn partner of zijn gewezen partner.

De Raad stelt vast dat de Svb, mede in het licht van de door appellant overgelegde brieven van Loyalis van 26 mei 2005 en van de Belastingdienst van 20 oktober 2005, niet deugdelijk heeft gemotiveerd op welke grond de door appellant betaalde premie lijfrenteverzekering ingevolge de belastingwetgeving niet voor aftrek op zijn belastbaar inkomen in aanmerking komt. Dit klemt temeer nu de gemachtigde van de Svb ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat de Svb in het algemeen het standpunt van de Belastingdienst volgt en appellant heeft aangegeven dat de Belastingdienst aftrek van de premie in 2001 heeft toegestaan. De Svb heeft meer in het bijzonder geen wettelijke aanknopingspunten aange-reikt waarop het standpunt, dat de door appellant in 2001 betaalde premie niet aftrekbaar is omdat deze verzekering nadien is beëindigd, kan worden gebaseerd.

Eerst ter zitting van de Raad heeft de Svb, onder verwijzing naar de Elsevier belastinggids, naar voren gebracht dat gelet op de polisvoorwaarden de levensverzekeringspolis van appellant niet voldoet aan de met ingang van 2001 geldende voorwaarden voor de aftrekbaarheid van uitgaven voor inkomens-voorzieningen. Ook dit standpunt is niet controleerbaar onderbouwd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze is voorbereid en genomen, zodat dit wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven en de Svb alsnog een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

(get.) M.M van der Kade.

(get.) A.C. Palmboom.

RB1902