Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-1530 WAZ en 06-3972 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering. Goodwill. Bij bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige dient steeds te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1530 WAZ en 06/3972 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 januari 2006, 05/1336 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2008. Appellant is verschenen, het Uwv niet.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 mei 2005 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 2004, waarbij is geweigerd aan hem per 1 december 2004 – in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken – een WAZ-uitkering toe te kennen, onder overweging dat hij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt was.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, waarbij zij het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van haar uitspraak en met bepalingen over griffierecht en proceskosten. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv heeft nagelaten nader te motiveren waarom hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het buiten beschouwing laten van het jaar 2000 (in verband met zijn arbeidsongeschiktheid gedurende het jaar 2000) in het onderhavige geval niet aan de orde kan zijn, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad terzake.

Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Hangende het hoger beroep heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen, gedateerd 7 juni 2006 (hierna: bestreden

besluit II). Bij dit besluit is het bezwaar van appellant gegrond verklaard en is appellant per 1 december 2004 een WAZ-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheids-klasse van 35 tot 45%.

De Raad ziet aanleiding om, onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bij de behandeling van het hoger beroep tevens een oordeel te geven over het bestreden besluit II, nu met dit nadere beluit niet geheel aan appellant is tegemoet gekomen. De Raad stelt vervolgens vast dat het belang van appellant in deze zaken alleen is gelegen in de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit II en dat hij geen procesbelang meer heeft bij behandeling van het hoger beroep. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wat betreft het beroep tegen het bestreden besluit II overweegt de Raad het volgende.

Appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte bij de berekening van het maatmaninkomen het jaar 2003 niet is meegenomen in de referteperiode. Door als referteperiode slechts de jaren 2001 en 2002 te nemen is het Uwv uitgegaan van een onvoldoende representatieve periode. Voorts heeft hij aangevoerd dat ten onrechte geen bedrag aan goodwill is meegenomen bij de berekening van de fiscale winst. Appellant stelt dat het in zijn geval onredelijk is om de door hem gemaakte fiscale keuze tot afschrijving van de goodwill ten laste van de winst door te laten werken in de berekening van het maatmaninkomen.

Het Uwv heeft bij verweerschrift van 4 juli 2006, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. van der Naald van 26 juni 2006, geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.

Aan het bestreden besluit II ligt ten grondslag het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J. van der Naald van 16 februari 2006. Van der Naald heeft, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, in tegenstelling tot het eerder ingenomen standpunt, het jaar 2000 niet meegenomen in de referteperiode, omdat dit jaar in verband met de arbeidsongeschiktheid van appellant gedurende dat gehele jaar niet voldoende representatief is en de referteperiode vastgesteld op de jaren 2001 en 2002. In zijn nadere rapportage van 26 juni 2006 heeft hij nogmaals aangegeven dat hij geen aanleiding ziet om het jaar 2003 hier ook bij te betrekken, gelet op de uitspraak van de Raad van

17 augustus 1993 (LJN: ZB 2889). Uitgaande van de fiscale winst over de refertejaren 2001 en 2002 komt Van der Naald dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,8, derhalve de klasse 35 tot 45%.

Wat betreft de goodwill is Van der Naald van mening dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van de door de Raad gegeven hoofdregel dat voor de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige dient te worden uitgegaan van de naar de fiscus verantwoorde en door deze aanvaarde nettowinst.

Ten aanzien van hetgeen ter zitting door appellant omtrent de vaststelling van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag is aangevoerd, overweegt de Raad allereerst dat hij geen reden ziet niet uit te gaan van 4 december 2003, nu appellant nadien slechts zeer kort en zeer marginaal aan zijn werk gerelateerde activiteiten heeft verricht.

Voorts overweegt de Raad wat betreft de goodwill het volgende.

Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad (o.a. uitspraken van 14 juni 2004,

LJN: AP8025; 18 april 2000; LJN: AL3777 en 28 april 1999, LJN: ZB8319) is het bestaan van goodwill die door appellant als aftrekpost is opgevoerd en door de fiscus als zodanig is aanvaard ten laste van de fiscale winst, in het algemeen geen reden voor een uitzondering op de hoofdregel (neergelegd in de uitspraak van 17 augustus 1993,

LJN: ZB2889) dat als uitgangspunt bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige steeds dient te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst. De Raad ziet ook in het onderhavige geval geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste jurisprudentie.

Tot slot overweegt de Raad wat betreft de door het Uwv gehanteerde referteperiode het volgende. Als hoofdregel geldt (uitspraak van 17 augustus 1993, LJN: ZB2889) dat in gevallen waarin dat praktisch mogelijk is bij de bepaling van het maatmaninkomen moet worden uitgegaan van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voorafgaande aan het jaar van intreden van de arbeidsongeschiktheid. Ruimte voor afwijking is er slechts in zeer bijzondere gevallen waarin evident is dat de in de referteperiode van drie jaar behaalde winst geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit als gezonde zelfstandige (o.a. uitspraken van 30 maart 2006, LJN: AV9060 en van 22 mei 2007, LJN: BA5954). Gelet op deze jurisprudentie is door het Uwv gekozen voor een referteperiode van drie boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin betrokkene arbeidsongeschikt is geworden, waarbij geen nuances zijn aangegeven ten aanzien van het moment van uitvallen in het lopende jaar (begin, midden of eind). Het Uwv heeft, gelet op de arbeidsongeschiktheid van appellant gedurende het gehele jaar 2000, dit jaar niet meegenomen en de referteperiode gesteld op de jaren 2001 en 2002. Van deze periode van twee jaren kan niet gezegd worden, dat hij niet representatief is voor de verdiencapaciteit van appellant als gezonde zelfstandige. Aangezien de ziekte van appellant per 4 december 2003 zijn aandeel in een nettowinst over 2003 heeft beïnvloed, heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien die winst voor dat jaar representatief te achten.

Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep niet.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 36,40 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door appellant in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 36,40, aan appellant te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en

J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M Sonderegger.

HS