Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-1522 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting en terugvordering WAO-uitkering. Verzwegen inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1522 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 januari 2006, 05/1501 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 29 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.J.M. Slangen, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 29 oktober 2007 heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, als opvolgend gemachtigde namens appellant een tweetal uitspraken op bezwaar tegen de aan appellant en zijn echtgenote opgelegde belastingaanslagen over 2001 ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. El Ahmadi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Koudveld.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 9 mei 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Toeslagenwet (Tw). Daarbij zijn gehandhaafd de drie besluiten van 5 januari 2005, strekkende tot de korting van door appellant over het tijdvak van 17 april 2001 tot 1 december 2003 toegerekende arbeidsinkomsten op zijn WAO-uitkering, de intrekking van de toeslag over die periode en de terugvordering van de daardoor onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, daarbij appellant als eiser en het Uwv als verweerder aanduidend, onder meer het volgende overwogen:

“Het Uwv heeft onderzoek verricht naar door eiser niet aan het Uwv opgegeven werkzaamheden en daaruit genoten inkomsten bij uitzendbureaus, waar onder [naam uitzendbureau] Uitzendbureau (hierna: [naam uitzendbureau]). [naam uitzendbureau] was aanvankelijk een eenmanszaak, vervolgens een vennootschap onder firma en vanaf 26 februari 2002 een besloten vennootschap met als een van de twee bestuurders de echtgenote van eiser,

[naam echtgenote].

In het kader van het onderzoek zijn getuigen gehoord, (de Raad begrijpt:) en eiser en de echtgenote van eiser als verdachten. Blijkens de rapportage van 13 februari 2004 heeft het Uwv geconcludeerd dat eiser vanaf 17 april 2001 tot en met

2 december 2003 feitelijk leiding heeft gegeven aan [naam uitzendbureau] en in verband daarmee inkomsten heeft genoten zonder het Uwv daarover geïnformeerd te hebben.

De belastingdienst heeft eiser wat betreft het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premies opgelegd van € 22.979,--. In het jaar 2002 is van een bankrekening van [naam uitzendbureau] in totaal een bedrag van € 26.949,11 aan de echtgenote van eiser overgemaakt. In de periode van maart tot en met mei 2003 is van een bankrekening van [naam uitzendbureau] in totaal een bedrag van € 15.151,52 aan de echtgenote van eiser overgemaakt.

Gelet op de onherroepelijk geworden, aan eiser opgelegde belastingaanslag over het jaar 2001, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden worden dat eiser in het jaar 2001 inkomsten heeft genoten. Naar vaste rechtspraak is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde verzuimd heeft concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Verweerder heeft aan de hand van de aan eiser opgelegde belastingaanslag over het jaar 2001 een schatting van eisers inkomsten in dat jaar gemaakt. De rechtbank is niet gebleken dat die schatting irreëel zou zijn. Gelet op die schatting enerzijds en eisers lagere maatmaninkomen in 2001 anderzijds heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat eisers WAO-uitkering wat betreft de periode van 17 april 2001 tot en met 31 december 2001 met toepassing van artikel 44 van de WAO niet tot uitbetaling had moeten komen.

Bij de gedingstukken bevinden zich processen-verbaal van ten overstaan van in dienst van het Uwv zijnde opsporingsfunctionarissen, in oktober en november 2003 afgelegde verklaringen van getuigen. Getuige [naam getuige] heeft blijkens een proces-verbaal van 9 oktober 2003 onder meer verklaard dat zij een sollicitatiegesprek met iemand met de naam van eiser heeft gevoerd, dat zij in februari, maart, april, augustus en september 2001 bij [naam uitzendbureau] heeft gewerkt, dat zij degene met wie zij het sollicitatiegesprek heeft gevoerd, beschouwt als de eigenaar van [naam uitzendbureau] en dat zij van hem werkopdrachten kreeg. Getuige [naam getuige 2] heeft blijkens een proces-verbaal van 14 oktober 2003 onder meer verklaard dat zij in de periode van november 2002 tot en met januari 2003 bij [naam uitzendbureau] heeft gewerkt, dat zij de werkopdrachten van eiser kreeg, dat voor zover zij weet de administratie door eiser gedaan werd en dat zij bij hem de werkbriefjes inleverde. Getuige

[naam getuige 3], werkzaam bij het bedrijf [naam bedrijf] te Schiedam, heeft blijkens een proces-verbaal van 20 oktober 2003 onder meer verklaard dat tussen zijn bedrijf en [naam uitzendbureau] zakelijke contacten bestonden en dat eiser de contactpersoon bij [naam uitzendbureau] was. Getuige [naam getuige 4], werkzaam bij [naam BV 2] te Waalwijk, heeft blijkens een proces-verbaal van 21 oktober 2003 een soortgelijke verklaring afgelegd. Hetzelfde geldt voor [naam getuige 5] en [naam getuige 6], beiden werkzaam bij [naam BV 3] te IJsselstein, die blijkens een proces-verbaal van 5 november 2003 als getuigen gehoord zijn. Getuige [naam getuige 6] heeft blijkens een proces-verbaal van 6 november 2003 onder meer verklaard dat hij vanaf medio november 2001 tot juli 2002 bij [naam uitzendbureau] heeft gewerkt en dat eiser de eigenaar van [naam uitzendbureau] was. Getuige [naam getuige 7] heeft blijkens een proces-verbaal van

6 november 2003 onder meer verklaard dat hij in het jaar 2002 bij [naam uitzendbureau] heeft gewerkt en dat eiser de baas was.

Verder blijkt uit de gedingstukken van urenopgaven en facturen waar eiser bemoeienis mee had en dat eiser namens [naam uitzendbureau] een voorstel tot een minnelijke schikking van [naam BV] te IJsselstein geaccepteerd heeft. Uit een proces-verbaal van de politie blijkt dat eiser als directeur van [naam uitzendbureau] aangifte heeft gedaan van een (poging tot) inbraak op 10 april en/of 11 april 2002. Op 21 maart 2003 heeft eiser ten overstaan van de politie een verklaring afgelegd en zich toen blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal gepresenteerd als mede-eigenaar van een uitzendbureau.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ten tijde hier in geding structurele werkzaamheden voor [naam uitzendbureau] verrichtte. Daaraan kan hetgeen door eiser in dit verband is aangevoerd niet afdoen. Alle getuigen wijzen eiser aan als de baas, als de eigenaar dan wel als de contactpersoon van [naam uitzendbureau]. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van de desbetreffende verklaringen te twijfelen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser zich ook bij de politie een keer als directeur en een keer als mede-eigenaar heeft gepresenteerd. Verder is gebleken dat eiser werkopdrachten aan werknemers verstrekte, zich bezighield met de administratie en zelfs kennelijk de bevoegdheid had om namens [naam uitzendbureau] een voorstel tot minnelijke schikking te accepteren.

Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte de door zijn echtgenote vanaf

1 januari 2002 van [naam uitzendbureau] ontvangen bedragen aan hem heeft toegerekend. De rechtbank volgt deze stelling niet.

Blijkens een proces-verbaal van 13 februari 2004 heeft de echtgenote van eiser op

8 december 2003 ten overstaan van opsporingsfunctionarissen van het Uwv een verklaring afgelegd. Zij heeft toen onder meer verklaard dat haar echtgenoot een uitzendbureau heeft, dat zij daar nog nimmer geweest is en dat zij geen inkomsten of salaris van [naam uitzendbureau] ontvangt. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat de echtgenote van eiser geen enkele bemoeienis met [naam uitzendbureau] had en zelfs niet op de hoogte was van het feit dat [naam uitzendbureau] bedragen aan haar overmaakte. Gelet daarop en gelet op het feit dat, zoals hiervoor overwogen, eiser ten tijde hier in geding structurele werkzaamheden voor [naam uitzendbureau] verrichtte, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de door de echtgenote van eiser van [naam uitzendbureau] ontvangen inkomsten heeft aangemerkt als eisers inkomsten. Daaraan kan hetgeen door eiser in dit verband is aangevoerd niet afdoen. De rechtbank overweegt daarbij dat ook hier geldt dat verweerder bevoegd is om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen en dat eiser verzuimd heeft om concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten vanaf 1 januari 2002 te verschaffen.

Verweerder heeft geconcludeerd dat eisers inkomsten ook in de periode van

1 januari 2002 tot 1 december 2003 (aanmerkelijk) hoger waren dan het in aanmerking te nemen maatmaninkomen. De rechtbank is niet gebleken dat die conclusie onjuist zou zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat in de periode hier in geding ten onrechte

WAO-uitkering aan eiser is uitbetaald. Verweerder heeft verder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten een bedrag van € 31.390,87 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode hier in geding van eiser terug te vorderen. Dat dit bedrag onjuist zou zijn, is de rechtbank niet gebleken. Evenmin is de rechtbank gebleken van dringende redenen op grond waarvan verweerder in redelijkheid had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser in de periode hier in geding geen recht op toeslag had. Verweerder heeft, anders dan eiser heeft gesteld, voldoende gemotiveerd dat eiser gelet op zijn relatief hoge inkomsten in die periode geen aanspraak op toeslag kan maken.”

De Raad overweegt het volgende.

Met de in hoger beroep overgelegde uitspraken heeft de belastinginspecteur de eerder bij uitblijven van aangiften ambtshalve aan appellant en zijn echtgenote over 2001 opgelegde aanslagen verminderd. De inkomsten van de echtgenote van appellant zijn daarbij op nihil gesteld, de inkomsten van appellant – kort gezegd – op de door hem over dat jaar verstrekte WAO-uitkering. Daarbij heeft de inspecteur de aangiften van appellant en zijn echtgenote gevolgd onder de overweging dat hij niet in staat is te bewijzen dat zij de in de ambtshalve aanslagen aangenomen (meer-)inkomsten hebben genoten. De fiscus gaat er dus vanuit dat appellant en zijn echtgenote in 2001 geen arbeidsinkomsten hebben genoten. In hoger beroep moet er daarom van worden uitgegaan dat het Uwv voor 2001 is afgeweken van de aan appellant en zijn echtgenote over dat jaar opgelegde aanslagen.

Appellant heeft met juistheid er op gewezen dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet alle in het opsporingsonderzoek gehoorde getuigen hem als eigenaar, baas c.q. contactpersoon van [naam uitzendbureau] hebben aangewezen.

Desondanks kan de Raad de rechtbank volgen in haar conclusie dat appellant over het tijdvak van 17 april 2001 tot 1 december 2003 voor de toepassing van artikel 44 van de WAO arbeidsinkomsten kunnen worden toegerekend van zodanige omvang dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. Daartoe sluit de Raad zich voor de jaren 2002 en 2003 aan bij de overwegingen van de rechtbank. Hij voegt daaraan nog toe dat appellant erkent dat [naam uitzendbureau] zijn echtgenote in 2002 en 2003 betalingen heeft gedaan nagenoeg zonder dat zij daarvoor werkzaamheden heeft verricht. In het hier van belang zijnde tijdvak heeft appellant activiteiten voor [naam uitzendbureau] ontplooid. Hij heeft die activiteiten ook deels erkend, maar noemt dat het zijn echtgenote “behulpzaam” zijn.

Appellant en zijn echtgenote zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. In 2002 en 2003 zijn aan de echtgenote van appellant door [naam uitzendbureau] betalingen verricht. In die jaren hebben ook substantiële geldbetalingen plaats gevonden door [naam uitzendbureau] op het banknummer van de vennootschap onder firma K.L. Karim (KLK), waarvan appellant procuratiehouder was, hoewel de onderneming op 16 januari 2002 was opgeheven. Appellant heeft geen bewijs bijgebracht voor zijn stelling dat zijn echtgenote in [naam uitzendbureau] investeringen heeft gedaan en dat de betalingen door [naam uitzendbureau] aan haar mede strekten ter vergoeding van die investeringen. De betalingen door [naam uitzendbureau] aan KLK wijzen eerder in tegengestelde richting. [naam uitzendbureau] was voor een deel van de hier van belang zijnde periode gevestigd op het voormalige bedrijfsadres van KLK. De analfabete echtgenote van appellant heeft in het opsporingsonderzoek verklaard dat zij met [naam uitzendbureau] of KLK geen bemoeienis had en dat appellant een uitzendbureau heeft gevoerd. Zij ontkent dat zij van [naam uitzendbureau] salaris heeft ontvangen. Een boekhouding of jaarstukken van [naam uitzendbureau] en KLK ontbreken. Appellant is in 2001 aangemeld als werknemer (directeur) van KLK. Tevens is een plaatsingsbudget aangevraagd. Op 10 juli 2001 heeft een gesprek plaats gevonden met de looninspecteur. In dat gesprek vertegenwoordigde appellant KLK. Appellant heeft aangegeven dat hij als procuratiehouder voor KLK optrad en de belastingen en premies voor het uitzendbureau regelde.

De Raad acht het onder de geschetste omstandigheden aannemelijk dat appellant voor [naam uitzendbureau] en KLK werkzaamheden heeft verricht die in het economische verkeer een loonwaarde vertegenwoordigen. Evenzeer acht de Raad aannemelijk dat zo al de door [naam uitzendbureau] gedane betalingen niet rechtstreeks aan appellant ten goede kwamen, hij hiervan in elk geval middellijk heeft geprofiteerd. Hij heeft hiervan aan het Uwv geen opgave gedaan.

Er bestaan nauwe banden tussen KLK en [naam uitzendbureau]. Hun werkwijzen stemmen in hoge mate overeen en voor beide ontbreekt ieder inzicht in de financiën. Duidelijk is wel dat een onverklaarde kasstroom van [naam uitzendbureau] naar KLK bestond op een moment dat het bedrijf van KLK al was opgeheven. De houding van appellant is er op gericht geweest het zicht op de feitelijke gang van zaken zo veel mogelijk te vertroebelen. De in 2002 en 2003 door [naam uitzendbureau] gedane salarisbetalingen overtreffen ruimschoots het maatmaninkomen van appellant. Onder deze omstandigheden gaat de Raad uit van het vermoeden dat de werkzaamheden die appellant in 2001 voor KLK heeft verricht voor hem (middellijk) profijt hebben opgeleverd tot een bedrag van ten minste het wettelijk minimumloon. De naakte ontkenning die appellant hier tegenover stelt, is onvoldoende om dat vermoeden te ontkrachten.

Anders dan appellant heeft betoogd, komt hem onder de gegeven omstandigheden geen beroep toe op het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtszekerheid staat evenmin aan de intrekking van de toeslag met terugwerkende kracht in de weg, nu appellant in gebreke is gebleven met het informeren van het Uwv over zijn werkzaamheden en inkomsten. De Raad voegt hieraan nog toe dat voor het recht op de aan appellant toegekende gezinstoeslag van geen belang is of aan hem of aan zijn echtgenote is betaald.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

MK