Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-1420 WAZ + 06-1421 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering. Vastgestelde beperkingen. Verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1420 WAZ + 06/1421 WAZ (gerectificeerde uitspraak)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2006, 03/3820 (hierna: uitspraak 1), en 04/1940 (hierna: uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.C. van Kleef, werkzaam bij Van Kleef & Partners B.V. te Boskoop, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken 1 en 2. Bij brief van 30 maart 2006 met nadere standpuntbepaling heeft mr. B. de Bruijn, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellant, een memo van de medisch adviseur en verzekeringsarts H.A. Voogt van 22 maart 2006 overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend in beide procedures en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal van 12 april 2006. Hierop heeft mr. De Bruijn, voornoemd, op 28 april 2006 gereageerd door overlegging van een memo van Voogt van 27 april 2006. Op deze reactie zond het Uwv het rapport van Admiraal van 16 mei 2006 in, waarna mr. De Bruijn reageerde met overlegging van een memo van Voogt van 5 juli 2006.

Het Uwv heeft op 14 februari 2007 ingediend een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen van 12 februari 2007.

Mr. De Bruijn, voornoemd, heeft bij brief van 13 september 2007 nog enige stukken overgelegd. Hierop heeft het Uwv op 27 december 2007 gereageerd door overlegging van 2 verzekeringsgeneeskundige rapporten en op 8 januari 2008 door overlegging op verzoek van mr. De Bruijn van een ontbrekend rapport.

Het onderzoek ter zitting in de beide gedingen heeft – gevoegd – plaatsgevonden op 15 januari 2008.

Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Bruijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als directeur-grootaandeelhouder van een textiel groothandel toen hij zich op 1 augustus 2001 ziek meldde als gevolg van een auto-ongeval. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) zijn blijkens het daarvan opgemaakte rapport van 10 december 2002 geen tekenen van verminderde psychische belastbaarheid vastgesteld en zijn beperkingen vastgesteld in verband met de nekklachten, welke werden uitgewerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 december 2002. Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding een verlies aan verdienvermogen van 41,6% berekend. Hierna nam het Uwv het besluit van 6 februari 2003, waarbij aan appellant met ingang van 31 juli 2002 een WAZ-uitkering werd toegekend welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In de bezwaarprocedure stelde appellant dat zijn beperkingen ten aanzien van onder andere concentratie, aandachtverdeling, handelingstempo en de lichamelijke belastbaarheid zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts H.M. de Gruil besprak in haar rapport van 31 juli 2003 de verkregen medische informatie en concludeerde tot handhaving van het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 5 augustus 2003 (hierna: besluit 1) het bezwaar van appellant ongegrond.

Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling op 22 september 2003 werd vastgesteld dat de situatie ten opzichte van het vorig onderzoek ongewijzigd was gebleven en werd de FML van 10 december 2002 van toepassing geacht. De arbeidskundige stelde in zijn rapport van 19 november 2003 vast dat na functieduiding het verlies aan verdienvermogen ditmaal 6,9% bedroeg, waarna het Uwv bij besluit van 21 november 2003 de WAZ-uitkering met ingang van

21 januari 2004 introk.

In de bezwaarprocedure tegen laatstgenoemd besluit beschreef appellant uitgebreid zijn – ongewijzigd gebleven – klachten en, naar zijn mening beperkingen, op cognitief en lichamelijk terrein. Ter hoorzitting van 8 maart 2004 gaf appellant aan dat hij nog momenten had waarin hij enorm depressief was. De bezwaarverzekeringsarts J.D. van de Nieuwe Giessen zag in een rapport van 8 maart 2004 na weging van het onderzoek van de verzekeringsarts en informatie van de behandelend psycholoog drs. B.J.M. van Kinderen van 15 oktober 2003, waarin sprake was van een depressieve stoornis, geen aanleiding tot wijziging van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Bij besluit van 26 maart 2004 (hierna: besluit 2) verklaarde het Uwv vervolgens het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2003 ongegrond.

In de beroepsprocedures tegen de besluiten 1 en 2 herhaalde appellant in essentie zijn bezwaren tegen de voor hem vastgestelde belastbaarheid. Ter onderbouwing legde hij in de procedure tegen besluit 1 deels nieuwe medische informatie over, waaronder een rapport van de psychiater M.H. Oeberius Kapteijn van 3 november 2003. Zij stelde de diagnose aanpassingsstoornis met gemengd angstig/depressieve stemming. Op deze medische informatie reageerde op 29 april 2004 namens het Uwv de bezwaarverzekeringsarts L.Th Schonagen, die concludeerde tot handhaving van de FML.

Het beroep tegen besluit 1 is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 mei 2004, waar partijen hun standpunten nogmaals uitvoerig hebben uiteengezet. Op 24 juni 2004 besliste de rechtbank tot heropening van het onderzoek omdat het niet volledig was geweest. Ter voortzetting van het onderzoek benoemde de rechtbank de neuroloog A.H.C. Geerlings als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Geerlings bracht op 12 november 2004 schriftelijk verslag uit van zijn onderzoek en gaf aan dat bij appellant op 31 juli 2002 sprake was van een post whiplashsyndroom en daarnaast mogelijk psychische of psychiatrische problematiek, welke beide persisteerden na het ongeval van 1 augustus 2001. Hij kon zich verenigen met de FML en de voor appellant geselecteerde functies, maar achtte wel een onderzoek door een psychiater noodzakelijk.

De rechtbank heeft vervolgens de psychiater M. Kazemier benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Kazemier rapporteerde op 8 februari 2005 over zijn onderzoek van 16 december 2004. Kazemier diagnosticeerde bij appellant een depressie in engere zin en vermeldde als gevolg daarvan onder andere concentratiezwakte, lichte inprentingsproblemen, prikkelbaarheid, waardoor appellant niet met conflicten overweg kan en er problemen zijn met samenwerken. Wat betreft werktijden wees Kazemier erop dat de slaapstoornissen van appellant en zijn depressie het vitaliteitsgevoel en het uithoudingsvermogen aantasten en zag hij een halve dagtaak als het maximaal haalbare. Met inachtneming van deze beperkingen achtte Kazemier appellant op 31 juli 2002 in staat tot vervulling van de geselecteerde functies.

Naar aanleiding van de reactie namens appellant wees Kazemier in een nader rapport van 2 mei 2005 erop dat er bij de geduide functies soms voorwaarden zijn die interfereren met de haalbaarheid daarvan. Als voorbeeld vermeldde Kazemier de functie van verzekeringsagent, waarbij de eigen auto vervangen zou moeten worden door bijvoorbeeld een taxi.

De reactie van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal in haar rapport van 8 maart 2005, die zich in het bijzonder keerde tegen de door Kazemier voorgestelde urenbeperking, leidde Kazemier in zijn rapport van 4 juli 2005 tot de vaststelling dat vervulling van de geduide functies door appellant, bij wie sprake is van een matig ernstige depressie, alleen gerealiseerd kan worden als rekening wordt gehouden met een reëel verlies aan energie en probleemoplossend vermogen, hetgeen kenmerkend is voor een depressie en waarvan de inprentingsproblemen, de conflicthantering en de prikkelbaarheid feitelijk afleidbaar zijn. Als met een en ander op andere wijze rekening kan worden gehouden, dringt Kazemier niet langer aan op zijn advies van een urenrestrictie. Admiraal gaf hierop in haar rapport van 28 juli 2005 aan dat de FML, gezien de duidelijke en inzichtelijke weergave van de beperkingen door Kazemier, aangescherpt diende te worden ten aanzien van enkele items in de rubrieken 1 en 2. De aanpassingen voerde Admiraal door in een gewijzigde FML van 28 juli 2005.

Op deze gewijzigde FML reageerde namens appellant mr. De Bruijn met de stelling dat daarin voorbij is gegaan aan de beperkingen inzake concentratie, aandachtverdeling en handelingstempo en dat met de toevoeging in de FML van een aantal specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid in rubriek 1, onder punt 9, het probleem van de verminderde energie niet is opgelost.

Het Uwv heeft op 6 oktober 2005 – onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen van 26 september 2005, waarin een nieuwe functieduiding is uitgevoerd en de medische geschiktheid van die nieuwe functies is toegelicht – twee gewijzigde besluiten op bezwaar van dezelfde datum (hierna: besluit 3 en besluit 4) overgelegd. Bij besluit 3 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 februari 2003 alsnog gegrond geacht in die zin dat, met handhaving van besluit 1 voor het overige, besluit 3 in de plaats treedt van besluit 1 wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, die bij besluit 3 met ingang van 31 juli 2002 werd gesteld op 45 tot 55%, en wat betreft de onderbouwing daarvan. Bij besluit 4 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2003 alsnog gegrond geacht en de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 21 januari 2004 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Ter zitting van de rechtbank van 31 januari 2006 hebben partijen hun standpunten ten aanzien van de besluiten 1, 2, 3 en 4 nogmaals uitvoerig uiteengezet.

De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Wat betreft de medische beoordeling door het Uwv heeft de rechtbank in uitspraak 1 geoordeeld dat de aanscherping van de FML in lijn ligt met de conclusies van Geerlings en Kazemier. Voorts achtte de rechtbank de medische geschiktheid van appellant voor de geduide functies voor de datum bij besluit 3 in geding in het rapport van Buskermolen voldoende toegelicht.

Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant eveneens ongegrond verklaard. Wat betreft de medische beoordeling door het Uwv en de medische geschiktheid van de – ten behoeve van de datum bij besluit 4 in geding – geduide functies heeft de rechtbank een vergelijkbaar oordeel gegeven als in uitspraak 1.

In hoger beroep is namens appellant in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank, nu het Uwv de besluiten 1 en 2 heeft ingetrokken en, hangende de beroepen tegen die besluiten, de besluiten 3 en 4 heeft genomen, het Uwv had dienen te veroordelen in de proceskosten. Voorts zijn de eerdere bezwaren van appellant tegen de aanscherping van de FML en tegen de geduide functies in essentie herhaald. Namens appellant is verzocht de uitspraken 1 en 2 te vernietigen, de beroepen gegrond te verklaren, de besluiten 3 en 4 te vernietigen en gedaagde op te dragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. Tevens is verzocht beslissingen te geven omtrent vergoeding van proceskosten in de onderhavige bezwaar- en beroepsprocedures.

De Raad oordeelt over de hoger beroepen als volgt.

Uit uitspraak 1, waarin is gewezen op het nemen van besluit 3 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), leidt de Raad af dat de rechtbank alleen een oordeel heeft gegeven en heeft beslist over besluit 3. Hetzelfde geldt voor uitspraak 2 wat betreft besluit 4.

De Raad, die de conclusie van appellant deelt dat het Uwv in de loop van de procedures tegen de besluiten 1 en 2 deze besluiten met het nemen van de besluiten 3 en 4 in feite heeft ingetrokken, is met appellant van oordeel dat de rechtbank bij de uitspraken 1 en 2 tevens beslissingen had dienen te geven omtrent de door appellant gestelde proceskosten. Met het nemen van de nieuwe besluiten 3 en 4, waarbij voor appellant achtereenvolgens met ingang van 31 juli 2002 en 21 januari 2004 een hogere mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld dan voor die data op grond van de besluiten 1 en 2 werd aangenomen, heeft het Uwv immers te kennen gegeven de besluiten 1 en 2 niet langer rechtens juist te achten.

De Raad stelt tevens vast dat de rechtbank in de uitspraken 1 en 2 ook niet heeft beslist omtrent het namens appellant in de beide procedures in eerste aanleg gedane, maar overigens niet nader gespecificeerde, verzoek om schadevergoeding. Nu appellant hierover in hoger beroep niet heeft geklaagd, valt dit verzuim in zoverre buiten de omvang van de gedingen in hoger beroep.

De Raad onderschrijft voorts de grief van appellant dat Admiraal in haar rapport van 28 juli 2005 niet heeft gemotiveerd dat de door haar gewijzigde FML volledig tegemoet komt aan de opmerkingen van Kazemier. Een motivering als evenbedoeld heeft de Raad ook niet aangetroffen in de hangende de hogere beroepen overgelegde rapporten van Admiraal. Dit motiveringsgebrek klemt te meer, nu Kazemier in zijn rapport van 8 februari 2005 en in zijn nadere rapporten van 2 mei en 4 juli 2005 onder andere heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van concentratiezwakte, lichte inprentingsproblemen, energieverlies en het niet kunnen omgaan met conflicten, terwijl hij voorts voor het rijden met een eigen auto een alternatief aangewezen achtte. De aangepaste FML bevat echter geen beperkingen op de onderdelen concentratie, aandachtverdeling en vervoer. Voorts is in verband met de geformuleerde beperking ten aanzien van conflicthantering niet duidelijk gemaakt waarom appellant een conflict wel uitsluitend telefonisch of schriftelijk zou kunnen hanteren. Verder heeft Admiraal geen inzicht verschaft in de vraag of het door Kazemier vastgestelde energieverlies alleen kan worden ondervangen door het stellen van (aanvullende) beperkingen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) dan wel of met het oog op dat verlies tevens (aanvullende) beperkingen zouden moeten worden gegeven ten aanzien van de lichamelijke belastbaarheid. Gelet op een ander valt thans niet te beoordelen of de aan de besluiten 3 en 4 ten grondslag gelegde functies medisch geschikt zijn te achten voor appellant.

Naar het oordeel van de Raad is de conclusie dan ook onontkoombaar dat de besluiten 3 en 4 onzorgvuldig zijn voorbereid en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Dit leidt er toe dat de uitspraken 1 en 2 moeten worden vernietigd. Voorts dienen de beroepen, welke moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten 3 en 4, gegrond te worden verklaard, de besluiten 3 en 4 te worden vernietigd en dient het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het Uwv dient daarbij onder andere te bezien of tevens kan worden beslist op een nader gespecificeerd verzoek om schadevergoeding van appellant.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.378,77 (waarvan € 1.932,- voor verleende rechtsbijstand) in eerste aanleg en op € 1.775,38 (waarvan € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand) in hoger beroep , in totaal € 4.154,15. De Raad tekent hierbij aan dat na de heropening van het onderzoek in het beroep tegen besluit 1 de beide procedures in eerste aanleg in feite als samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, door partijen en de rechtbank zijn behandeld en derhalve vanaf dat moment als zodanig moeten worden beschouwd. Wat betreft de gevorderde vergoeding voor de rapporten van de medisch adviseur Voogt overweegt de Raad dat deze worden vergoed volgens een forfaitair uurtarief ten bedrage van € 81,23. Ten slotte stelt de Raad vast, dat de door appellant gevorderde vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase, naar ter zitting door mr. De Bruijn desgevraagd is meegedeeld, ziet op de besluiten 3 en 4 en derhalve in aanmerking dient te worden genomen en door de Raad ook daadwerkelijk is genomen bij de vaststelling van die vergoeding in verband met de uitspraken 1 en 2.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de uitspraken 1 en 2;

Verklaart de beroepen, welke moeten worden geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten 3 en 4, gegrond en vernietigt de besluiten 3 en 4;

Bepaalt dat het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in de beide procedures in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 4.154,15, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant de betaalde griffierechten in beide procedures van € 278,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM