Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5521

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
07-876 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft betrokkene zich die inspanningen getroost om zich te (kunnen) laten inschrijven in de GBA die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/876 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 januari 2007, 06/573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellante

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2008.

Appellante was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee. Betrokkene is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn vader, [naam vader].

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is voor zijn opleiding studiefinanciering toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

Bij schrijven gedagtekend 12 november 2005 is door appellante aan betrokkene bekendgemaakt dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat betrokkene doorgegeven heeft aan appellante ([adres 1]) in de maand oktober 2005 afwijkt van het adres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) staat ingeschreven ([adres 2]). Aangegeven is daarbij dat, indien betrokkene zijn (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat, indien het woonadres dat aan appellante is doorgegeven niet (meer) juist is, betrokkene dat ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Betrokkene is gewaarschuwd dat, indien hij de afwijking van het aan appellante opgegeven woonadres van het adres waarop hij in de GBA ingeschreven staat niet binnen vier weken ongedaan maakt, appellante de aan betrokkene toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van oktober 2005 omzet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

Vervolgens heeft appellante bij besluit van 13 januari 2006 de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van oktober 2005 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat het woonadres dat betrokkene aan appellante heeft opgegeven, afwijkt van het adres waarop betrokkene in de GBA ingeschreven staat en dat betrokkene heeft verzuimd deze afwijking ongedaan te laten maken.

Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door appellante bij besluit van 13 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene zich die inspanningen heeft getroost om zich in de GBA in te laten schrijven die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden.

In hoger beroep is hiertegen door appellante aangevoerd dat betrokkene niet van alles heeft gedaan om zich alsnog op het juiste adres te laten inschrijven; hij heeft alleen contact opgenomen met de verhuurder en pas in mei 2006 zich weer tot de gemeente gewend.

De Raad overweegt als volgt.

Uitwonende studerenden kunnen in aanmerking komen voor een hoger bedrag aan studiefinanciering dan thuiswonende studerenden.

Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de WSF 2000 wordt onder een thuiswonende studerende verstaan een ‘studerende die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen’ en onder uitwonende studerende een ‘studerende die niet een thuiswonende studerende is’.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene vanaf oktober 2005 zijn hoofdverblijf had aan het adres [adres 1] en een uitwonende studerende was in vorenbedoelde zin.

Bij Wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb. 2001, 67), is de regeling inzake het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende gewijzigd. Ingevolge deze wet luidt artikel 1.5 van de WSF 2000 vanaf 1 januari 2002 als volgt:

“1. Indien bij controle door de IB-Groep blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt de IB-Groep dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.

2. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.”

Het geschil spitst zich toe op de vraag of betrokkene van de afwijking redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt. Voor de beantwoording van die vraag is van belang of betrokkene zich die inspanningen heeft getroost om zich te (kunnen) laten inschrijven in de GBA die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden.

Betrokkene heeft op 25 september 2005 aan appellante doorgegeven dat hij per

15 september 2005 is gaan wonen op het adres [adres 1]. Hij heeft zich niet gemeld bij de GBA om op dat adres ingeschreven te worden. Naar aanleiding van het schrijven van appellante van 12 november 2005 heeft hij zich op enig moment tot de GBA gewend ten einde alsnog ingeschreven te worden. Een door betrokkene overgelegde verklaring vanwege de gemeente Leeuwarden van 10 februari 2006 houdt in dat de gemeente niet kan overgaan tot inschrijving omdat volgens de van toepassing zijnde regelingen op dat adres maximaal twee personen mogen wonen en er reeds twee personen zijn opgenomen in de GBA. Betrokkene heeft voorts gesteld contact te hebben opgenomen met de verhuurder die hem eind januari 2006 telefonisch heeft meegedeeld dat hij er niet in is geslaagd toestemming van de gemeente Leeuwarden te krijgen om het appartement aan drie personen te verhuren. In mei en juli 2006 heeft betrokkene zich opnieuw tot de gemeente gewend om zich te laten inschrijven; bij de vierde poging is betrokkene uiteindelijk per 18 september 2006 ingeschreven op meergenoemd adres.

De Raad is van oordeel dat betrokkene zich aldus onvoldoende inspanningen heeft getroost om zich te doen inschrijven en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 66 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is een ingezetene verplicht zich binnen vijf dagen na een adreswijziging in te schrijven bij de GBA van de nieuwe woonplaats. Dit geldt dus ook voor een studerende als betrokkene. Betrokkene heeft dit niet gedaan. Naar aanleiding van het schrijven van appellante van 12 november 2005 heeft betrokkene zich op enig moment tot de GBA gewend. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan binnen de in het schrijven van 12 november 2005 genoemde termijn van vier weken en evenmin is gebleken dat hij binnen die termijn aan appellante heeft bericht dat er problemen waren met zijn inschrijving in de GBA. Dat betrokkene tijdens de bezwaarprocedure een reactie vanwege de gemeente van 10 februari 2006 heeft overgelegd en heeft gewezen op de poging van de verhuurder om alsnog inschrijving te realiseren maakt dit niet anders. Het beroep van betrokkene op de informatie van appellante op de website inzake GBA-controle woonsituatie slaagt evenmin omdat betrokkene niet (binnen de gestelde termijn) voldoende moeite gedaan heeft om zich in de GBA op het door hem aan appellante opgegeven woonadres te laten inschrijven.

Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL