Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
05-6586 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6586 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2005, 05/888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari 2008. Appellant is niet verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 december 2004 wordt herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 21 februari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is (voorzover hier van belang) het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is omdat onvoldoende aandacht is besteed aan de psychische klachten. Appellant heeft gewezen op de brief van de huisarts van 10 maart 2005 waarin deze arts heeft verklaard dat de persoonlijkheidsproblematiek van appellant zodanig is dat hij niet geschikt is voor de arbeidsmarkt en op de brief van appellants behandelend psychiater van 29 juli 2005, waarin diverse klachten worden beschreven en waarvan de conclusie is dat er sprake is van een depressie in engere zin bij een emotioneel langdurig overbelaste man met diversheid aan psychosociale problematiek.

De Raad overweegt als volgt.

Verzekeringsarts R. Gart heeft appellant op 28 september 2004 onderzocht; in zijn rapportage heeft hij vermeld dat hij lichamelijk onderzoek heeft verricht en aandacht heeft besteed aan de psyche. Gart heeft ook informatie opgevraagd bij appellants huisarts, J.W.B. van Soerland. Op 13 oktober 2004 heeft deze arts geschreven dat appellant nekklachten en gehoorverlies heeft en over de psyche dat niet goed ingeschat kan worden of appellants persoonlijkheid van invloed is op de mate van zijn arbeidsongeschiktheid.

Gart heeft in zijn aanvullende rapportage van 26 oktober 2004 aangegeven dat de informatie van de huisarts geen nieuwe feiten of inzichten bevat die aanleiding geven de eerder vastgestelde belastbaarheid te herzien.

De bezwaarverzekeringsarts E.H. Groenewegen heeft de door appellant in bezwaar ingebrachte brieven van de huisarts van 5 november 2004 en 14 januari 2005 bij de beoordeling betrokken, doch heeft daarin geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen omdat deze informatie geen nieuwe gezichtspunten bevat. Hij is tot de conclusie gekomen dat met de klachten van het gehoor, de nek en de psyche voldoende rekening is gehouden.

De Raad is - met de rechtbank - van oordeel dat het medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant op juiste wijze is verricht en dat geen aanleiding bestaat de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden.

Ten aanzien van de informatie van de huisarts en de behandelend psychiater waar appellant in hoger beroep op heeft gewezen, overweegt de Raad dat tijdens de beroepsprocedure daarop een reactie is gegeven door de bezwaarverzekeringsartsen J.H.M. de Brouwer, d.d. 19 april 2005, en J.C. Kokenberg d.d. 1 augustus 2005.

De Raad onderschrijft het standpunt van de rechtbank dat de door appellant in beroep overgelegde medische gegevens - de stukken van de huisarts en de behandelend psychiater waar appellant ook in hoger beroep op heeft gewezen - onvoldoende aanknopingspunten bieden om te oordelen dat appellants gezondheidstoestand op de datum in geding anders was dan het Uwv heeft vastgesteld.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep geen objectief medische gegevens zijn overgelegd die steun bieden aan een andersluidend oordeel.

De Raad is voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vallen binnen de grenzen van de vastgestelde belastbaarheid.

Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HS