Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
05-4159 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om verstrekking van een brommobiel. Medische indicatie gevraagde voorziening. Goedkoopst adequate voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4159 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek,

gevestigd te Lisse, (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 mei 2005, 03/2918 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[Betrokkene]

en

appellant

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft dr. M. Terburg, verbonden als revalidatiearts aan het Reinier de Graaf Gasthuis te Delft, inlichtingen verstrekt, waar appellant en betrokkene vervolgens op hebben gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellant is verschenen, vertegenwoordigd door mr. Houtsma. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Roelink.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1977, heeft op jonge leeftijd een ongeval gehad waarbij hij een hersenbeschadiging heeft opgelopen met als gevolg spasticiteit in de armen en de benen, verlammingen, spraakstoornissen en verminderd psychisch functioneren. Hij ondervindt hierdoor beperkingen, onder andere in zijn mobiliteit. Toen betrokkene nog thuis woonde beschikte hij over een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer in bruikleen verstrekte (open) driewielbrommer. Sinds betrokkene in Lisse in een aangepaste flat zelfstandig is gaan wonen gebruikt hij de (gesloten) brommobiel van zijn moeder.

1.2. Op 18 februari 2002 heeft betrokkene in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) verzocht om verstrekking van een brommobiel.

1.3. Bij besluit van 18 oktober 2002 heeft appellant de aanvraag voor een brommobiel conform een advies van de GGD van 21 maart 2002 afgewezen en betrokkene in aanmerking gebracht voor een driewielbrommer.

1.4. In bezwaar heeft betrokkene, onderbouwd met een verklaring van 27 november 2001 van prof. dr. G.J. Lankhorst, de aan het VU ziekenhuis te Amsterdam verbonden revalidatiearts bij wie hij onder behandeling is, aangevoerd dat hij in verband met toename van spasticiteit bij koude is aangewezen op gesloten buitenvervoer. Bij schrijven van 29 april 2003 heeft de GGD aangegeven hierin geen reden te zien om het advies van 21 maart 2002 te herzien.

1.5. Bij besluit van 3 juni 2003 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2002 ongegrond verklaard. Hieraan ligt, onder verwijzing naar artikel 1.2, aanhef en onder b en c, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Lisse (hierna: de Verordening) het standpunt ten grondslag dat een driewielbrommer niet alleen vergeleken met de brommobiel, maar ook afgezet tegen de combinatie van een scootmobiel en een taxikostenvergoeding, de goedkoopst adequate oplossing is.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 3 juni 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.2. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het rapport van 9 augustus 2004 van de door haar ingeschakelde deskundige, de revalidatiearts Terburg, volgt dat betrokkene op medische gronden is aangewezen op een gesloten buitenvervoersvoorziening. De deskundige heeft aangegeven dat het bij het buitenvervoer van betrokkene van belang is dat bij hem spasticiteitsproblemen zowel gelokaliseerd zijn aan de bovenste als aan de onderste extremiteit, hetgeen bij ongunstige (weers)omstandigheden extra ongunstig zal uitwerken op het niveau van zelfstandig functioneren.

2.3. Bij brieven van 24 november 2004 en 14 maart 2005 heeft Terburg naar het oordeel van de rechtbank voorts genoegzaam gereageerd op hetgeen appellant, mede op basis van de reacties van de GGD, naar aanleiding van zijn rapport naar voren heeft gebracht.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er, gezien het advies van de GGD, geen medische indicatie bestaat voor een brommobiel. De rechtbank heeft volgens appellant slechts rekening gehouden met het advies van de revalidatiearts Terburg en niet aangegeven waarom het advies van de GGD onjuist zou zijn. Volgens de GGD is er tussen de revalidatiearts en de GGD geen verschil van mening omtrent de stoornissen en beperkingen van betrokkene. Op basis van die stoornissen en beperkingen - en met toepassing van de Wvg - concludeert de GGD dat een driewielbrommer met schootskleed en locale warmteapplicaties de goedkoopste adequate oplossing is. De ingeschakelde deskundige heeft niet onderbouwd waarom betrokkene bij kou niet met een schootskleed en warme kleding gebruik zou kunnen maken van een driewielbrommer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 2 van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. In genoemd artikel is aangegeven dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels vaststelt.

4.1.2. Ingevolge artikel 3 van de Wvg biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

4.2. Met de Verordening heeft appellant invulling gegeven aan de hem ingevolge artikel 2 van de Wvg opgedragen taak.

4.2.1. In artikel 1.2, aanhef en onder b en c, van de Verordening is bepaald dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover:

b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;

c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.3. Beoordeeld dient te worden of betrokkene op grond van een medische noodzaak is aangewezen op gesloten buitenvervoer. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad pleegt de Raad het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige te volgen, tenzij zijn advies niet afdoende gemotiveerd is of uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde deskundige moet worden afgeleid dat de door de rechter ingeschakelde deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. Zodanige omstandigheden doen zich hier niet voor.

4.3.2. De Raad stelt in dit verband voorop dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Terburg de visie van appellant, dat er geen verschil van mening is omtrent de stoornissen en beperkingen van betrokkene, blijkens zijn reactie van 18 april 2007 niet deelt en deze - gemotiveerd - ernstiger en meer belemmerend inschat dan de GGD heeft gedaan. Terburg heeft voldoende onderbouwd waarom een driewielbrommer bij kou voor betrokkene niet adequaat is. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport van Terburg van 9 augustus 2004, waarin hij de gevolgen van koude en luchtvochtigheid op spasticiteit in het algemeen en de gevolgen daarvan voor betrokkene in het bijzonder uitvoerig heeft beschreven.

4.3.3. Op de - in het voetspoor van de GGD - ingenomen stelling van appellant dat de beperkingen middels locale warmte applicatie gereduceerd kunnen worden, heeft Terburg in zijn reactie van 24 november 2004, naar het oordeel van de Raad eveneens overtuigend, als volgt gereageerd: “Extra externe negatieve invloeden zoals ongunstige weersinvloeden zullen mijns inziens het zelfstandig functioneren, de motoriek [..] en handelingen gezien aard [..] en lokalisatie van de stoornissen en beperkingen ongunstig beïnvloeden. De voorgestelde goedkope oplossing van een schootskleed en warme kleding biedt hiervoor gezien aard en lokalisatie van de stoornissen en beperkingen [..] mijns inziens onvoldoende waarborg. Ook worden hierbij allerlei extra fysieke acties en handelingen gevraagd.”

4.3.4. Wat appellant in hoger beroep - overigens zonder nadere raadpleging van de GGD - tegen de beoordeling door Terburg heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten om de conclusies van Terburg voor onjuist te houden.

4.4. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat de driewielbrommer een adequate voorziening zou zijn, omdat betrokkene zou hebben aangegeven dat hij deze voorziening in zijn vorige woonplaats naar tevredenheid gebruikte, overweegt de Raad dat dit op zichzelf niet betekent dat deze voorziening ook ten tijde hier in geding, waar immers sprake was van een gewijzigde (woon)situatie, als een adequate voorziening dient te worden aangemerkt. De Raad acht in dit verband voldoende aannemelijk geworden dat appellant, toen hij nog bij zijn moeder in Haarlemmermeer woonde en over een driewielbrommer beschikte aan het leven van alle dag kon deelnemen omdat hij bij slecht weer niet met zijn driewielbrommer reisde maar door zijn moeder per auto werd vervoerd.

4.5. Het in hoger beroep door appellant naar voren gebrachte standpunt, dat het vervoer van betrokkene ten behoeve van vrijwilligerswerk, hobby’s en bezoeken aan de fysiotherapeut in het algemeen niet onder de in artikel 2 van de Wvg bedoelde zorgplicht valt kan de Raad niet onderschrijven. Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2007, LJN BA7210, volgt dat aan de in de gemeente wonende gehandicapten, die daarop aangewezen zijn, zodanige vervoersvoorzieningen moeten worden aangeboden dat zij in hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate in staat worden gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. De Raad ziet niet in dat het vervoer ten behoeve van de door appellant bedoelde doeleinden in het algemeen niet zou behoren tot het vervoer dat nodig is om te kunnen deelnemen aan het leven van alledag. Dit zou anders kunnen zijn indien voor dat vervoer een andere, voorliggende, adequate voorziening voorhanden is. Appellant heeft dat echter niet gesteld en het is de Raad ook niet gebleken.

4.6. Uit het onder 4.3 tot en met 4.5 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7. Dit betekent dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen in acht dient te worden genomen.

4.7.1. Met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar overweegt de Raad, mede naar aanleiding van het door appellant ter zitting ingenomen standpunt dat indien een driewielbrommer niet adequaat is, een scootmobiel in combinatie met individueel taxivervoer de goedkoopste adequate voorziening is, nog het volgende.

4.7.2. Daargelaten of dit standpunt over de goedkoopste adequate voorziening gerechtvaardigd is, wijst de Raad erop dat de Verordening blijkens de toelichting bij artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, de mogelijkheid biedt om een voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopste adequate voorziening, mits de gehandicapte bereid is het prijsverschil voor eigen rekening te nemen.

4.8. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 805,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met in inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 805,--, te betalen door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;

Bepaalt dat van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L. Rijnen.

AR