Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06/6854 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand in verband met achteraf gebleken en fictief gestelde inkomsten uit verhuur van onroerende zaken in Turkije.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 129
USZ 2008/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6854 WWB

06/6855 WWB

07/3575 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 oktober 2006, 05/2261, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2], wonende te Zwolle, (hierna: betrokkenen)

en

appellant,

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2007. Voor appellant is verschenen mr. A. Blom, werkzaam bij de gemeente Zwolle. Betrokkenen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkenen ontvangen een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat [Betrokkene 1] eigenaar is van drie appartementen en twee werkplaatsen in Turkije. Van deze objecten heeft hij één appartement en één werkplaats verhuurd, een ander appartement heeft hij om niet in gebruik gegeven aan zijn dochter. Van deze objecten heeft hij geen melding gedaan aan appellant.

Bij besluit van 21 april 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkenen herzien over de periode van 1 juli 1997 tot en met 7 april 2003 in verband met achteraf gebleken en fictief gestelde inkomsten uit verhuur van onroerende zaken in Turkije. Ter onderbouwing van de fictief gestelde huurinkomsten van de dochter van betrokkenen heeft appellant gebruik gemaakt van een taxatierapport, opgemaakt in opdracht van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken. Hetgeen betrokkenen als gevolg van de herziening over deze periode aan bijstand hebben ontvangen, vastgesteld op een bedrag van € 20.953,40, heeft appellant van betrokkenen teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat met ingang van 1 juni 2005 maandelijks € 103,48 zal worden ingehouden op de uitkering van betrokkenen tot de gehele vordering is afgelost.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 25 oktober 2005 gegrond verklaard, voor zover het bezwaar was gericht tegen de invordering van € 103,48 per maand, onder vermelding dat gedane inhoudingen zullen worden terugbetaald. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Het tegen dit besluit ingestelde beroep is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar en is bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, voor zover appellant bij de herziening en terugvordering rekening heeft gehouden met de fictief gestelde inkomsten voor het in gebruik geven van het appartement aan de dochter van betrokkenen.

Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, betrokkenen hebben in de uitspraak berust.

Appellant heeft aangevoerd dat in de situatie van betrokkenen aanleiding bestaat om uit te gaan van fictieve huurinkomsten. Deze situatie acht appellant vergelijkbaar met de - in de jurisprudentie erkende - situatie, waarin fictieve inkomsten worden aangenomen, indien vaststaat dat iemand aanspraak kan doen gelden op een bepaalde honorering in verband met werkzaamheden en hij die ten onrechte niet ontvangt.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 7 december 2006 voor zover hier van belang het recht op bijstand gedurende de periode van 1 juli 1997 tot en met 7 april 2003 herzien. De terugvordering van ten onrechte verleende bijstand is vastgesteld op een bedrag van € 7.275,23. Dit besluit zal de Raad met overeenkomstige toepassing van artikel 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in dit geding bij de beoordeling betrekken.

Inzake het hoger beroep.

Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat appellant vanaf 1 januari 2004 aan artikel 54 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat betrokkenen niet redelijkerwijs konden beschikken over huurinkomsten in verband met het om niet in gebruik geven van het betreffende appartement aan hun dochter. Daarvan zou eerst kunnen worden gesproken, indien dergelijke inkomsten zijn te ontlenen aan een (rechtens afdwingbare) aanspraak zoals het geval kan zijn bij werkzaamheden waarvoor tenminste het minimum loon moet worden betaald. Nu aan het in gebruik geven van het appartement geen huurovereenkomst ten grondslag ligt en ook overigens niet is gebleken van een rechtens afdwingbare aanspraak die strekt tot vergoeding van het gebruik van het appartement, ziet de Raad geen grond om in een geval als hier fictieve inkomsten aan te nemen. De Raad merkt daarbij nog op dat het stelsel van de Abw andere mogelijkheden bevat om rekening te houden met tot het vermogen behorende onroerende zaken dan het in aanmerking brengen van fictieve huurinkomsten.

De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient dan ook te worden bevestigd.

Besluit van 7 december 2006.

De Raad stelt vast dat bij de beoordeling van het besluit van 7 december 2006, genomen ter uitvoering van voornoemde uitspraak van de rechtbank, alleen de herziening en terugvordering aan de orde zijn. Over de invordering is bij besluit van 25 oktober 2005 beslist en dat besluit is, nu betrokkenen tegen dat onderdeel geen beroep hebben ingesteld, rechtens onaantastbaar geworden. Stellingen van betrokkenen die zien op de invordering, de daarmee verband houdende nabetaling(en) en de - in dat kader - gevorderde wettelijke rente vallen dan ook buiten de omvang van dit geding.

Met betrokkenen oordeelt de Raad dat appellant bij de vaststelling van de periode van herziening ten onrechte is blijven uitgaan van de datum waarop de dochter het betreffende appartement in gebruik heeft gekregen (1 juli 1997). De herzieningsperiode had moeten worden beperkt tot de periode 1 augustus 1999 tot en met 7 april 2003, nu alleen in die periode betrokkenen daadwerkelijk huurinkomsten hebben genoten. Het besluit van 7 december 2006 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking wegens onjuiste feitelijke grondslag. Aangezien dit gebrek ook kleeft aan het primaire besluit van 21 april 2005 zal de Raad dat besluit in zoverre herroepen. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geding is dat de bijstelling van de herziening in de aangegeven zin niet leidt tot een aanpassing van de hoogte van het terugvorderingsbedrag.

Anders dan betrokkenen acht de Raad geen reden aanwezig om aan te nemen dat appellant de terugvordering van de bijstand, voor zover deze betreft de periode 1 februari 2003 tot en met 7 april 2003, gebaseerd heeft op een onjuiste grond, nu per die datum de bijstandsuitkering is omgezet in de vorm van een geldlening. Onder verwijzing naar de uitspraak van 1 november 2004, LJN AR 5270, oordeelt de Raad dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand, in de situatie dat achteraf vastgesteld kan worden dat bijstand - ook als die is verleend in de vorm van een geldlening - ten onrechte is verleend.

Het betoog van betrokkenen dat appellant onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat geen sprake is van een dringende reden, als bedoeld in artikel 6 van de Beleidsregels terugvordering WWB van de gemeente Zwolle onderschrijft de Raad niet. Ter toelichting op de gestelde aanwezigheid van dringende redenen is namens betrokkenen naar voren gebracht dat hun financiële situatie gedurende een onoverzienbaar lange periode zou verslechteren, ook ondanks de bescherming van de beslagvrije voet. Daarbij is mede gewezen op hun gevorderde leeftijd en hun slechte gezondheidssituatie. Betrokkenen hebben ter verdere toelichting verklaringen van hun huisarts overgelegd.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, gepubliceerd in RSV 2003/42 en USZ 2003/67) dient terugvordering in verband met dringende reden achterwege te worden gelaten, indien terugvordering te ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie heeft. Het moet dan om iets bijzonders of uitzonderlijks gaan en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkenen tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt. De gestelde verslechtering van de financiële situatie kan niet als een dringende reden in evenbedoelde zin worden aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkenen te allen tijde blijven beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Evenmin acht de Raad in de medische situatie van betrokkenen een dringende reden gelegen om van terugvordering af te zien. Niet aannemelijk is geworden dat de terugvordering op zich voor betrokkenen zal leiden tot onaanvaardbare consequenties.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de Raad aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten, begroot op € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van € 422,--, te betalen door de gemeente Zwolle.

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 december 2006 gegrond, en vernietigt dit besluit voor zover dit betreft de handhaving van de herziening van de uitkering van betrokkenen gedurende de periode 1 juli 1997 tot 1 augustus 1999;

Herroept het besluit van 21 april 2005 voor zover dit betreft de herziening van de uitkering van betrokkenen gedurende de periode 1 juli 1997 tot 1 augustus 1999;

Veroordeelt appellant in de proceskosten tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Zwolle.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. Van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

IJ