Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06/5976 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede-)terugvordering bijstand. Geen opgave gedaan van werkzaamheden. Recht op bijstand kan niet meer worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5976 WWB

06/5977 WWB

06/6060 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante 1], en

[Appellant 2] en [Appellant 3], allen wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 augustus 2006, 05/2148 en 05/2279 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. H.M.A.W. Erven, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Voor appellanten is verschenen mr. drs. Erven. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.S.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant [Appellante 1] ontving vanaf 24 oktober 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Appellanten [Appellant 2] en [M.] ontvingen vanaf 6 februari 1988 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de WWB.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten [Appellante 1] en [Appellant 2] zwart werken, dat die werkzaamheden bestaan uit het verkopen van auto’s bij een garage die op naam van K. [T.] staat, en dat appellanten [Appellante 1] en [Appellant 2] elke dinsdagochtend op de automarkt in Utrecht auto’s verkopen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn observaties verricht, zijn gegevens van de Belastingdienst verkregen, zijn getuigen gehoord en zijn appellanten verhoord.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 22 februari 2005 de bijstand van appellant [Appellante 1] met ingang van 24 december (lees: oktober) 2000 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van bijstand over de periodes van 24 oktober 2000 tot en met 21 augustus 2001, 27 augustus 2001 tot en met 26 augustus 2002 en 30 augustus 2002 tot en met 31 januari 2005 tot een bedrag van € 50.040,73 van hem terug te vorderen.

Bij afzonderlijk besluit van 22 februari 2005 heeft het College de bijstand van appellanten [Appellant 2] en [M.] met ingang van 11 (lees: 22) januari 2003 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over de periode van 11 (lees: 22) januari 2003 tot en met 31 januari 2005 tot een bedrag van € 34.686,85 van hen teruggevorderd.

Bij besluit van 23 juni 2005 heeft het College het door appellant [Appellante 1] gemaakte bezwaar tegen het aan hem gerichte besluit van 22 februari 2005 met toepassing van onder meer artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat K. [T.] op 22 januari 2003 het autobedrijf [naam autobedrijf] heeft opgericht en dat uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat appellant [Appellante 1] vanaf die datum een substantieel deel van de week werkzaamheden ten behoeve van dit autobedrijf heeft verricht. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat appellant [Appellante 1] reeds voor die datum in de autobranche werkzaam was. Van die werkzaamheden is geen opgave aan het College gedaan, zodat niet meer kan worden vastgesteld of en in hoeverre appellant [Appellante 1] over de periode van 24 oktober 2000 tot en met 31 januari 2005 recht heeft op bijstand.

Bij afzonderlijk besluit van 23 juni 2005 heeft het College het door appellanten [Appellant 2] en [M.] gemaakte bezwaar tegen het aan hen gerichte besluit van 22 februari 2005 met toepassing van onder meer artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat appellant [Appellant 2] in ieder geval vanaf 22 januari 2003 voor een substantieel deel van de week werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van autobedrijf [naam autobedrijf]. Van die werkzaamheden is geen opgave gedaan aan het College, zodat niet meer kan worden vastgesteld of en in hoeverre appellanten [Appellant 2] en [M.] over de periode van 22 januari 2003 tot en met 31 januari 2005 recht hebben op bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 23 juni 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de in de aangevallen uitspraak onder de randnummers 2.9 tot en met 2.13 gegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hieraan nog toe dat dit meebrengt dat aan de toepassingsvoorwaarden voor artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Het College heeft in overeenstemming met zijn - door de Raad in zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ8022 - niet onredelijk geachte - beleid besloten tot volledige terugvordering van appellanten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van dat beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. De stelling dat appellanten in 2000, 2001 en 2002 met vakantie naar het buitenland zijn geweest, zodat over die vakantieperiodes geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting doet hier niet aan af, nu blijkens de onderzoeksbevindingen sprake is van een gedurende die jaren doorlopende autohandel.

De grief dat uit geen enkel gedingstuk blijkt van een betrokkenheid van appellante [M.] leidt evenmin tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de Raad dat de bijstand aan appellant [Appellant 2] en aan appellante [M.] als gezinsbijstand is verleend, zodat de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gelezen in verbinding met artikel 59, eerste lid, van de WWB zowel van appellante [M.] als van appellant [Appellant 2] kunnen worden teruggevorderd, en zij ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de kosten van de ten onrechte verleende bijstand. Appellante [M.] kan zich derhalve niet met vrucht beroepen op onbekendheid met de handelwijze of het niet betrokken zijn bij de activiteiten van appellant [Appellant 2].

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.F.M. Verhey als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.

IJ