Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-6970 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Verkoop onroerend goed uit erfenis. Naderhand verkregen middelen/vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6970 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2006, 05/162 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft A. te Meij, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door de heer Te Meij. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.R. Oudendijk en mr. A.E.M. Roovers, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving over het jaar 1999 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Haar moeder is op 2 maart 1999 overleden. Medio januari 2000 heeft appellante haar aandeel in de erfenis van haar moeder, een bedrag van f 334.440,--, ontvangen.

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 2 maart 1999 ingetrokken op de grond dat zij per die datum over voldoende middelen beschikt of kon beschikken. Bij besluit van 25 september 2001 heeft het College het besluit van 19 mei 2000 gehandhaafd. De rechtbank Amsterdam heeft het tegen het besluit van 25 september 2001 ingestelde beroep bij uitspraak van 5 april 2002 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bij zijn uitspraak van 6 juli 2004 vernietigd op de grond dat de intrekking een deugdelijke grondslag mist, aangezien appellante in 1999 nog niet kon beschikken over haar erfdeel; dat erfdeel was toen nog gebonden in een molen, die pas in januari 2000 is verkocht. Daarbij heeft de Raad tevens de besluiten van 19 mei 2000 en 25 september 2001 vernietigd. De Raad heeft in zijn uitspraak opgemerkt - ter voorkoming van ongerechtvaardigde verwachtingen bij appellante - dat een en ander niet betekent dat terugvordering van bijstand niet meer mogelijk zou zijn.

Bij besluit van 22 september 2004 heeft het College de over de periode van 2 maart 1999 tot en met 31 december 1999 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 8.736,43. Daarbij is toepassing gegeven aan de artikelen 78 en 82 van de Abw.

Bij besluit van 16 december 2004 heeft het College het tegen het besluit van 22 september 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 16 december 2004 gegrond verklaard, dat besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij eerst zal worden ingegaan op een drietal procedurele en formele grieven.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, is er geen grond voor het oordeel dat het College (onnodig) te lang heeft gewacht met het nemen van een nieuw primair besluit. Een termijn van ongeveer 2,5 maand na verzending van de uitspraak van de Raad van 6 juli 2004 acht de Raad niet onaanvaardbaar.

Appellante heeft verder naar voren gebracht dat de termijn waarbinnen op het bezwaar moest worden beslist is overschreden. Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat deze termijn met een week is overschreden. Met deze vaststelling kan in dit geval worden volstaan. Het gaat hier, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, om een termijn van orde. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding consequenties te verbinden voor de zaak ten gronde.

Appellante bestrijdt ten slotte het oordeel van de rechtbank dat het College wat betreft de bevoegdheid tot terugvordering toepassing had moeten geven aan de Wet werk en bijstand (WWB). Deze grief treft geen doel. De Raad heeft meermalen uitgesproken (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 21 april 2005, LJN AT4358) dat de colleges van burgemeester en wethouders vanaf 1 januari 2004, de datum van de inwerkingtreding van de WWB, hun bevoegdheid tot terugvordering ontlenen aan artikel 58 van de WWB.

Met betrekking tot de in geding zijnde terugvordering overweegt de Raad het volgende. Daarbij stelt de Raad voorop dat, anders dan appellante betoogt, het College niet eerder dan op 22 september 2004 een terugvorderingsbesluit heeft genomen. De besluitvorming die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 6 juli 2004 betreft uitsluitend de intrekking van de aan appellante verleende bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het College de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Dat achteraf rekening kan worden gehouden met die later ontvangen middelen hangt samen met het complementaire karakter van de WWB. De hiervoor genoemde bepaling biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt kan tot terugvordering worden overgegaan.

Niet in geschil is dat appellante gedurende de in geding zijnde periode bijstand ontving en dat de aanspraak op het erfdeel op 2 maart 1999 is ontstaan. Verder staat vast dat appellante in januari 2000 de beschikking heeft gekregen over haar erfdeel. Vanaf dat moment is sprake van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend. Met deze middelen werd de destijds voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen ruimschoots overschreden.

Op grond van het voorafgaande komt de Raad evenals de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van meergenoemde bepaling van artikel 58 van de WWB, zodat het College bevoegd was om over te gaan tot terugvordering van de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand.

Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, vaste gedragslijn van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

Appellante heeft aangevoerd dat haar in een andere gemeente wonende zus niet wegens haar erfdeel is geconfronteerd met terugvordering van de kosten van verleende bijstand. Dit brengt evenwel niet met zich dat het College bij de uitoefening van zijn bevoegdheid ten opzichte van appellante in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In de eerste plaats gaat het in de zaak van haar zus om een ander bestuursorgaan, namelijk het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Verder heeft elk college van burgemeester en wethouders een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de toepassing van onder meer artikel 58 van de WWB en kan het College zijn bevoegdheid op dit punt, binnen de - in dit geval niet overschreden - grenzen van de wet, op eigen wijze invullen.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het bedrag van de terugvordering behoort te worden gematigd omdat zij al in mei 1999 melding heeft gemaakt van het overlijden van haar moeder en van de mogelijkheid van een erfenis. Deze stelling mist naar het oordeel van de Raad feitelijke grondslag. Het College heeft dit tegengesproken en uit de gedingstukken blijkt hiervan niet. Op 25 mei 1999 heeft in het kader van een heronderzoek naar het recht van appellante op bijstand een gesprek tussen haar en haar toenmalige consulente plaatsgevonden. Uit het van dat gesprek opgemaakte verslag blijkt niet dat appellante daarbij het overlijden van haar moeder heeft gemeld. Uit het rapport blijkt dat appellante heeft meegedeeld dat zij geen inkomsten verwacht. Van een verwachte toename van vermogen wordt geen melding gemaakt. Gelet op de gedingstukken moet het er voor worden gehouden dat het College pas in 2000 op de hoogte is geraakt van het overlijden van de moeder van appellante en van de ontvangst van een erfdeel. Het College heeft daarop in 1999 niet kunnen anticiperen. De Raad acht het dan ook niet onaanvaardbaar dat het College is overgegaan tot terugvordering van het brutobedrag van de aan appellante verleende bijstand.

In hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht in afwijking van zijn vaste gedragslijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 16 december 2004 derhalve terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) W. Altenaar.

IJ