Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5368

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-3301 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZ-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%, welke niet tot uitbetaling komt wegens inkomen. Omvang werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3301 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 april 2006, 05/4192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft P.F.B. Meulepas, werkzaam bij financieel & fiscaal adviesbureau P.F.B. Meulepas B.V. te Mill, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene, die zijn werkzaamheden als varkensfokker en akkerbouwer met ingang van 1 oktober 1989 gedeeltelijk heeft moeten neerleggen in verband met lichamelijke klachten, is een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Op basis van de door betrokkene in 2003 behaalde inkomsten uit arbeid ten bedrage van € 17.057,- heeft appellant bij besluit van 31 mei 2005 bepaald dat de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet arbeids-ongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) onder toepassing van artikel 58 van de WAZ over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 niet tot uitbetaling komt. Bij het besluit op bezwaar van 25 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het besluit van 31 mei 2005 gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen zij in haar uitspraak heeft overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van betrokkene dat hij in 2003 in plaats van 60 uur per week 74 uur per week in zijn bedrijf heeft gewerkt aannemelijk is. Uitgaande van een 74-urige werkweek heeft de rechtbank berekend dat betrokkene in 2003 een inkomen uit arbeid heeft behaald van € 4,43 per uur, hetgeen afgezet tegen het maatmaninkomen van € 6,17 per uur leidt tot een verlies aan verdienvermogen van 28,2%, zodat (fictief) de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% van toepassing is.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar een rapport van arbeidsdeskundige Th.M.M. Doedée van 19 april 2006 en een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters van 30 juni 2006 aangevoerd dat op zorgvuldige wijze is gemotiveerd dat betrokkene in 2003 een 60-urige werkweek heeft gehad. Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat hij de gestelde 74-urige werkweek ruimschoots heeft onderbouwd en dat bij nader inzien in 2003 sprake is geweest van een werkweek van gemiddeld

77 uur.

Ter beoordeling staat de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil in welke omvang betrokkene in 2003 in zijn bedrijf werkzaam is geweest. Arbeidsdeskundige Doedée heeft op 19 april 2006 het bedrijf van betrokkene bezocht en na een onderhoud met betrokkene en zijn gemachtigde mede aan de hand van professiogramcijfers een berekening gemaakt van het aantal uren dat betrokkene in 2003 heeft gewerkt in zijn bedrijf, dat zich bezig houdt met akkerbouw, bloementeelt en verhuur van groepsaccommodatie. De arbeidsdeskundige heeft dit aantal berekend op 2.757 uren, gemiddeld 53 uren per week, zodat betrokkene niet meer uren heeft gewerkt dan het maatgevende aantal van 3.000 uren per jaar. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft betrokkene aan de hand van een gemaakt overzicht aangevoerd dat hij in 2003 gemiddeld 74 uren per week werkzaam is geweest. In reactie op het rapport van arbeidsdeskundige Doedée heeft betrokkene in hoger beroep een nadere berekening gemaakt van het aantal gewerkte uren en is daarbij op een totaal van 4.020 uren uitgekomen.

In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, waaronder de berekening van het aantal gewerkte uren in het verweerschrift, heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat hij in 2003 een zodanig aantal uren in zijn bedrijf heeft gewerkt dat de WAZ-uitkering in dat jaar geheel of gedeeltelijk tot uitbetaling kan komen. Daarbij merkt de Raad op dat daarvan eerst sprake kan zijn als betrokkene meer dan 70 uur per week in zijn bedrijf zou hebben gewerkt. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft betrokkene gesteld dat hij gemiddeld 74 uur per week heeft gewerkt, maar in hoger beroep heeft hij erkend dat dit aantal slechts betrekking heeft op een, door hem aangeduide, representatieve periode, niet zijnde de winterperiode waarin het zowel op het land als in de groepsaccommodatie relatief rustig is. Hoewel betrokkene heeft aangevoerd dat hij naar aanleiding van de toegepaste anticumulatie ingevolge artikel 58 van de WAZ over het jaar 2001, waarbij eveneens is uitgegaan van een werkweek van 60 uur, een registratie heeft bijgehouden van het aantal gewerkte uren in 2003, heeft hij niet een dergelijke registratie overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt. Betrokkene heeft uitsluitend in reactie op de door arbeidsdeskundige Doedée gemaakte gedetailleerde berekening van het aantal gewerkte uren gesteld dat hij in het bijzonder met de bloementeelt, het verhuur van groepsaccommodatie alsmede administratie/management en activiteiten in verband met acquisitie, het onderhouden van de website en educatie op het gebied van ICT (beduidend) meer uren werkzaam is geweest. De Raad is van oordeel dat betrokkene zijn standpunt niet aannemelijk heeft gemaakt. Bij de door arbeidsdeskundige Doedée toegepaste korting van 50% op het door betrokkene gewerkte aantal uren in de akkerbouw om de reden dat hij in verband met zijn gezondheidstoestand slechts zeer ten dele in staat is met een tractor te werken, en de verhoging van het aantal gewerkte uren in de bloementeelt met 33 1/3% in verband met tempoverlies van betrokkene kunnen weliswaar vraagtekens worden geplaatst, maar geenszins aannemelijk is dat betrokkene in 2003 een zodanig aantal uren heeft gewerkt dat zijn verlies aan verdiencapaciteit in dat jaar ten minste 25% is geweest. De Raad is derhalve van oordeel dat appellant terecht heeft bepaald dat de WAZ-uitkering van betrokkene over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 niet tot uitbetaling komt.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep ongegrond verklaard dient te worden.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

HS