Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
06-6889 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek verlaging van de nog openstaande vordering inzake Abw. Terugkomen van een besluit als het onderhavige kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6889 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 3 november 2006, 06/12 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost/Vijfheerenlanden (hierna: RSD)

Datum uitspraak: 19 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De RSD heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 januari 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving van 5 oktober 2000 tot en met 23 januari 2002 van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Giessenlanden bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij het besluit tot toekenning van de bijstand is appellante meegedeeld dat de bijstand op grond van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw wordt teruggevorderd indien blijkt dat zij na afwikkeling van de boedelscheiding en de verkoop van de woning alsnog over voldoende middelen kan beschikken.

De RSD heeft in de afwikkeling van de boedelscheiding aanleiding gevonden om bij besluit van 7 april 2003 met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw de over de periode van 5 oktober 2000 tot en met 23 januari 2002 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 25.749,25 van appellante terug te vorderen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 31 mei 2005 heeft appellante verzocht om verlaging van de nog openstaande vordering. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellante aangevoerd dat op het uit de boedelscheiding ontvangen bedrag de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand, kosten van levensonderhoud en tandartskosten in mindering hadden moeten worden gebracht.

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de RSD het verzoek van appellante afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2005 heeft de RSD het bezwaar van appellante tegen het besluit 7 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellante tot verlaging van de openstaande vordering er toe strekt dat de RSD terugkomt van het besluit van 7 april 2003 en dat hetgeen zij ter onderbouwing van haar verzoek tot verlaging van de openstaande vordering heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Appellante heeft aangevoerd dat zij kosten heeft moeten maken, welke in mindering hadden moeten worden gebracht op het door haar ontvangen aandeel uit de boedelscheiding. Ter ondersteuning van haar verzoek om terug te komen overlegt appellante een nota van haar advocaat, gedateerd 18 juli 2002 en een begroting van haar tandarts, gedateerd 10 september 2002. De betreffende kosten van levensonderhoud hebben betrekking op de periode van mei 2002 tot april 2003.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen door appellante is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als relevant nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De Raad merkt op dat appellante de genoemde feiten en omstandigheden reeds naar voren had kunnen brengen indien zij bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 7 april 2003.

Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de RSD niet in redelijkheid tot het besluit van 25 november 2005 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M. Pijper.

AR