Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC5358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
06-3494 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. CBBS: de ontbrekende arbeidskundige onderbouwing wordt alsnog in hoger beroep gegeven. In stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3494 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 mei 2006, 05/3111 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene],

en

appellant.

Datum uitspraak: 27 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene, die vanaf 12 april 1999 zijn werkzaamheden als matrassenmaker gedurende 38,75 uur per week niet langer heeft kunnen verrichten in verband met klachten ten gevolge van een schildklierafwijking, is met ingang van 10 april 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Nadat betrokkene op 11 januari 2005 was onderzocht door een verzekeringsarts en nadat hij op 16 februari 2005 een gesprek had gehad met een arbeidsdeskundige, heeft appellant bij besluit van

10 maart 2005 de WAO-uitkering van betrokkene per 11 mei 2005 ingetrokken.

Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 7 september 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit berust op een toereikende medische grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het bestreden besluit evenwel een deugdelijke arbeidskundige motivering. De selectie van de functies heeft plaatsgevonden met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Bij een aantal belastingaspecten van de geselecteerde functies heeft het systeem signaleringen afgegeven (“M”). De arbeidsdeskundige heeft bij een aantal van die signaleringen door middel van een “G”-markering aangegeven dat de desbetreffende belasting de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat en dat dit niet nader hoeft te worden toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank had een nadere motivering inzake deze items niet achterwege mogen blijven. Het beroep is bij de aangevallen uitspraak dan ook gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat appellant aan betrokkene het door hem gestorte griffierecht vergoedt.

In hoger beroep is door appellant het standpunt ingenomen dat het CBBS-systeem, zoals dat is aangepast na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende), voldoende transparant, verifieerbaar en toetsbaar is en dat de in een beperkt aantal situaties voor de arbeidsdeskundige bestaande vrijheid om signaleringen zonder nadere motivering terzijde te stellen hieraan niet afdoet, omdat een nadere motivering in die gevallen geen toegevoegde waarde zou hebben. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971 en volgende), waarin onder meer dit standpunt van appellant uitdrukkelijk door de Raad is verworpen, heeft appellant een aanvullend arbeidskundig rapport van 29 januari 2007 ingezonden waarin een toelichting is gegeven op alle signaleringen van alle geduide functies. Daarin is geconcludeerd dat de functie onder SBC-code 111172 (productiemedewerker filetafdeling) afvalt, maar dat voldoende functies resteren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid geen wijziging ondergaat. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 2 maart 2007 (onder meer LJN: AZ9652), waarin de Raad de regelgeving inzake maximering van de maatman tot 38 uur per week onverbindend heeft verklaard, heeft appellant de Raad bericht dat ook uitgaande van de werkweek van betrokkene van 38,75 uur zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad maakt de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank tot de zijne. Betrokkene heeft (ook) in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts van appellant in aanmerking genomen medische beperkingen.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door appellant voor betrokkene aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat betrokkene de werkzaamheden, behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan betrokkene voorgehouden functies van aanvoerbegeleider bloemen (SBC-code 111250), fiscaal controleur en parkeercontroleur (SBC-code 342022) en perronmedewerker (SBC-code 111220) niet zou kunnen verrichten. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van

29 januari 2007 een toelichting is gegeven naar aanleiding van alle gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van een aantal belastingsaspecten van de geselecteerde functies in relatie tot de belastbaarheid van betrokkene. Betrokkene heeft deze rapportage niet weersproken en de gegeven toelichting komt de Raad voldoende overtuigend over. Voorts acht de Raad aannemelijk dat in deze functies, zoals valt af te leiden uit de beschikbare arbeidsmogelijkhedenlijst van 23 augustus 2005, niet ’s nachts wordt gewerkt. De Raad is derhalve van oordeel dat het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene per 11 mei 2005 terecht is vastgesteld op minder dan 15%.

De Raad stelt vast dat een deugdelijke toelichting met betrekking tot de passendheid van de functies ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voorhanden was.

Derhalve heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. In de omstandigheid dat de ontbrekende arbeidskundige onderbouwing in hoger beroep alsnog is gegeven ziet de Raad aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover is bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad is niet gebleken dat betrokkene in hoger beroep proceskosten heeft gemaakt die op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk

(get.) E.M. de Bree

HS